Genezing van de man met de verdorde hand op de sabbat
En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mensch die eene verdorde hand had. En zij namen Hem waar of Hij op den sabbatdag hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten. En Hij zeide tot den mensch die de verdorde hand had: Sta op in het midden. En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen, eene ziel te behouden of te dooden? En zij zwegen stil. En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, te gelijk bedroefd zijnde over de verharding huns harten, zeide Hij tot den mensch: Strek uwe hand uit. En hij strekte ze uit; en zijne hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
Jaar
4031 27 AD
Personen
Bijbelverzen
Mar 3:1-6
1En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand. 2En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten. 3En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden. 4En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil. 5En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. 6En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden.