Gelijkenis van het grote avondmaal

Jezus vertelt van een man die een groot avondmaal bereidde en velen noodde. De genodigden beginnen zich allen te verontschuldigen: de een heeft een akker gekocht, de ander ossen, de derde is getrouwd. De heer des huizes wordt toornig en zendt zijn dienstknecht uit om de armen, verminkten, kreupelen en blinden te halen van de straten en stegen.

Jaar
4033 29 AD

Personen

Bijbelverzen

Luc 14:15-24
15En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods. 16Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen. 17En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed. 18En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. 19En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. 20En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. 21En dezelve dienstknecht weder gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in. 22En de dienstknecht zeide: Heer, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats. 23En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde; 24Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.