Gelijkenis van den rijken dwaas

Iemand uit de schare vraagt Jezus zijn broeder te gebieden de erfenis met hem te deelen. Jezus waarschuwt tegen gierigheid en vertelt de gelijkenis van een rijken man wiens land wel gedragen heeft. Hij besluit zijn schuren af te breken en grootere te bouwen. Maar God zegt: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen.

Jaar
4033 29 AD

Personen

Bijbelverzen

Luc 12:13-21
13En een uit de schare zeide tot Hem: Meester, zeg mijn broeder, dat hij met mij de erfenis dele. 14Maar Hij zeide tot hem: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over ulieden gesteld? 15En Hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid; want het is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen. 16En Hij zeide tot hen een gelijkenis, en sprak: Eens rijken mensen land had wel gedragen; 17En hij overleide bij zichzelven, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen. 18En hij zeide: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen; 19En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk. 20Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? 21Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.