Gelijkenis van de boze wijngaardeniers
Jezus spreekt de gelijkenis van een heer die een wijngaard plantte en verhuurde. De wijngaardeniers doden de knechten en ten slotte ook de zoon. Jezus zegt: Het Koninkrijk Gods zal van u weggenomen worden en een volk gegeven dat de vruchten daarvan voortbrengt.
Jaar
4034 30 AD
Personen
Plaatsen
Bijbelverzen
Mat 21:33-46
33Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buiten 's lands. 34Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen. 35En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben den een geslagen, en den anderen gedood, en den derden gestenigd. 36Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks. 37En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien. 38Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden. 39En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten de wijngaard, en doodden hem. 40Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen? 41Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven. 42Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van de Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? 43Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt. 44En wie op deze steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 45En als de overpriesters en Farizeen deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak. 46En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet.