Erfrecht van de dochters van Zelafead
De vijf dochters van Zelafead — Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza — komen tot Mozes met de vraag om erfbezit, omdat hun vader in de woestijn is gestorven zonder zonen. God bevestigt hun recht en stelt een algemene erfrechtregeling in.
Jaar
2309 1696 BC
Bijbelverzen
Num 27:1-11
1Toen naderden de dochteren van Zelafead, den zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza); 2En zij stonden voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht van de oversten, en van de ganse vergadering, aan de deur van de tent der samenkomst, zeggende: 3Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden der vergadering dergenen, die zich tegen den HEERE vergaderd hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen. 4Waarom zou de naam onzes vaders uit het midden van zijn geslacht weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons een bezitting in het midden der broederen van onzen vader. 5En Mozes bracht haar rechtzaak voor het aangezicht des HEEREN. 6En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: 7De dochteren van Zelafead spreken recht; gij zult haar ganselijk geven de bezitting ener erfenis, in het midden van de broederen haars vaders; en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen. 8En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Wanneer iemand sterft, en geen zoon heeft, zo zult gij zijn erfenis op zijn dochter doen komen. 9En indien hij geen dochter heeft, zo zult gij zijn erfenis aan zijn broederen geven. 10Indien hij nu geen broederen heeft, zo zult gij zijn erfenis aan de broederen zijns vaders geven. 11Indien ook zijn vader geen broeders heeft, zo zult gij zijn erfenis geven aan zijn naastbestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dit zal den kinderen Israels tot een inzetting des rechts zijn, gelijk als de HEERE Mozes geboden heeft.