Doortocht door het land der Ammonieten
God gebood Israël ook de kinderen van Ammon niet te benauwen, want Hij had hun land aan de kinderen van Lot tot erfenis gegeven. Ook daar hadden reuzen (Zamzummieten) eerder gewoond, maar God had die voor de Ammonieten verdelgd.
Jaar
2310 1695 BC
Plaatsen
Bijbelverzen
Deut 2:17-23
17Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende: 18Gij zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab; 19En gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land der kinderen Ammons geen erfenis geven, dewijl Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb. 20Dit werd ook voor een land der reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten; 21Een groot, en menigvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hunlieder plaats woonden; 22Gelijk als Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seir wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op dezen dag. 23Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittogen, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond.