De zonen van Sceva; mislukte duiveluitdrijving

De zeven zonen van Sceva pogen den Naam van Jezus aan te roepen. De booze geest antwoordt: Jezus ken ik en Paulus weet ik, maar wie zijt gijlieden? De bezeten man springt op hen.

Jaar
4058 54 AD

Plaatsen

Bijbelverzen

Hand 19:13-17
13En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivel bezweerders, hebben zich onderwonden den Naam van den Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt! 14Dezen nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen overpriester, die dit deden. 15Maar de boze geest, antwoordende, zeide: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij? 16En de mens, in welken de boze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen, alzo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden. 17En dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken, die te Efeze woonden; en er viel een vreze over hen allen, en de Naam van den Heere Jezus werd groot gemaakt.