De rijke jongeling
Een jongeling vraagt: Goede Meester, wat zal ik goeds doen opdat ik het eeuwige leven hebbe? Jezus zegt uiteindelijk: Zo gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen. De jongeling gaat bedroefd weg want hij had vele goederen. Jezus zegt: Het is lichter dat een kemel door het oog ener naald ga dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.
Jaar
4034 30 AD
Personen
Plaatsen
Bijbelverzen
Mat 19:16-26
16En ziet, er kwam een tot Hem, en zeide tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? 17En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden. 18Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; 19Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. 20De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog? 21Jezus zeide tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij. 22Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen. 23En Jezus zeide tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan. 24En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods. 25Zijn discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden? 26En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.