De intocht in Jeruzalem op Palmzondag

Jezus zendt twee discipelen om een ezelin en haar veulen te halen. Hij rijdt Jeruzalem binnen, gezeten op het veulen. De scharen spreiden hun klederen en takken op den weg en roepen: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij Die komt in den Naam des Heeren! De hele stad wordt beroerd.

Jaar
4034 30 AD

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Mat 21:1-11
1En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fage, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: 2Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij. 3En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft, en hij zal ze terstond zenden. 4Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende: 5Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong ener jukdragende ezelin. 6En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had, 7Brachten de ezelin en het veulen, en legden hun klederen op dezelve, en zetten Hem daarop. 8En de meeste schare spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op den weg. 9En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! 10En als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de gehele stad beroerd, zeggende: Wie is Deze? 11En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilea.