David wijkt uit naar de Filistijnen bij Achis

David denkt: 'Ik zal nog eens op een dag door Sauls hand omkomen.' Hij vlucht met zeshonderd man naar Achis, de koning van Gath. Saul zoekt hem niet meer. Achis geeft David de stad Ziklag, waar hij een jaar en vier maanden woont.

Jaar
2748 1257 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

1 Sam 27:1-7
1David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand. 2Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath. 3En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische. 4Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken. 5En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? 6Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag. 7Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.