David vlucht voor Saul naar de spelonk

David schrijft dit gebed wanneer hij in de spelonk is, op de vlucht voor koning Saul. Hij roept tot den HEERE met zijn stem en stort zijn klacht uit voor Gods aangezicht. Hij voelt zich eenzaam en zonder toevlucht, maar erkent God als zijn Deel in het land der levenden.

Jaar
2701 1304 BC

Personen

Bijbelverzen

Ps 142:1-8
1Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was. 2Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem. 3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid. 4Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou. 5Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel. 6Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden. 7Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben.