David huwt Michal, Sauls dochter

Saul biedt David zijn dochter Michal als vrouw aan, met als bruidsschat honderd voorhuiden der Filistijnen — hopend dat David in de strijd zal sterven. David brengt tweehonderd voorhuiden en Saul geeft hem Michal. Saul vreest David nog meer, want hij ziet dat de HEERE met hem is.

Jaar
2739 1266 BC

Personen

Bijbelverzen

1 Sam 18:20-29
20Doch Michal, de dochter van Saul, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zo was die zaak recht in zijn ogen. 21En Saul zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden. 22En Saul gebood zijn knechten: Spreekt met David in het heimelijke, zeggende: Zie, de koning heeft lust aan u, en al zijn knechten hebben u lief; word dan nu des konings schoonzoon. 23En de knechten van Saul spraken deze woorden voor de oren van David. Toen zeide David: Is dat licht in ulieder ogen, des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben? 24En de knechten van Saul boodschapten het hem, zeggende: Zulke woorden heeft David gesproken. 25Toen zeide Saul: Aldus zult gijlieden tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan des konings vijanden. Want Saul dacht David te vellen door de hand der Filistijnen. 26Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij des konings schoonzoon zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld. 27Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze den koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon des konings worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal ter vrouw. 28En Saul zag en merkte, dat de HEERE met David was; en Michal, de dochter van Saul, had hem lief. 29Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen.