Daniël weigert de spijze des konings
Daniël neemt in zijn hart voor zich niet te ontreinigen met de spijze van des konings tafel, noch met den wijn zijns dranks. Hij vraagt de overste der kamerlingen om een proef van tien dagen met peulvruchten en water. Na tien dagen zijn Daniël en zijn vrienden schoner en vetter van vlees dan alle jongelingen die de spijze des konings eten. God geeft de vier jongelingen wetenschap en verstand in alle boeken en wijsheid.
Jaar
3156 849 BC
Personen
Plaatsen
Bijbelverzen
Dan 1:8-21
8Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen. 9En God gaf Daniel genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen. 10Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniel: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken. 11Toen zeide Daniel tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniel, Hananja, Misael en Azarja: 12Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken. 13En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der jongelingen, die de stukken van de spijs des konings eten; en doe met uw knechten, naar dat gij zien zult. 14Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen. 15Ten einde nu der tien dagen, zag men dat hun gedaanten schoner waren, en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten. 16Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken hunner spijs wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide. 17Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniel gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen. 18Ten einde nu der dagen, waarvan de koning gezegd had, dat men hen zou inbrengen, zo bracht ze de overste der kamerlingen in voor het aangezicht van Nebukadnezar, 19En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniel, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht des konings. 20En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovernaars en sterrekijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren. 21En Daniel bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe.