Beschuldiging van Beëlzebul — zonde tegen de Heilige Geest

En de Schriftgeleerden die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit. En Hij zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der menschen zullen vergeven worden, en alle lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben; maar zo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geene vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.

Jaar
4031 27 AD

Personen

Bijbelverzen

Mar 3:20-30
20En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom en schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten. 21En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen. 22En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beelzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit. 23En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen? 24En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan. 25En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan. 26En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde. 27Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven. 28Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben; 29Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels. 30Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.