Aanstelling van richters en hoofdlieden

Mozes herinnert hoe hij de last van het volk niet alleen kon dragen en op Jethro's raad wijze en verstandige mannen uit de stammen aanstelde als hoofden over duizenden, honderden, vijftigen en tienen, om het volk te richten naar gerechtigheid, zonder aanzien des persoons.

Jaar
2270 1735 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Deut 1:9-18
9En ik sprak ter zelfder tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen. 10De HEERE, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en ziet, gij zijt heden als de sterren des hemels in menigte. 11De HEERE, uwer vaderen God, doe tot u, zo als gij nu zijt, duizendmaal meer, en Hij zegene u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft! 12Hoe zoude ik alleen uw moeite, en uw last, en uw twistzaken dragen? 13Neemt u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle. 14Toen antwoorddet gij mij, en zeidet: Dit woord is goed, dat gij gesproken hebt, om te doen. 15Zo nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uw stammen. 16En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broederen, en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling. 17Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den kleine, zowel als den grote, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen. 18Alzo gebood ik u te dier tijd alle zaken, die gij zoudt doen.