Aanstelling van de twaalf apostelen

En Hij klom op den berg en riep tot Zich die Hij wilde, en zij kwamen tot Hem. En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken, en om macht te hebben de ziekten te genezen en de duivelen uit te werpen.

Jaar
4031 27 AD

Personen

Bijbelverzen

Mar 3:13-19
13En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem. 14En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken; 15En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen. 16En Simon gaf Hij den toe naam Petrus; 17En Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun toe namen, Boanerges, hetwelk is, zonen des donders; 18En Andreas, en Filippus, en Bartholomeus, en Mattheus, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeus, en Thaddeus, en Simon Kananites, 19En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.