Aanstelling van de mannen voor de landverdeling
God wijst Eleazar de priester en Jozua aan om het land te verdelen, samen met één vorst uit elke stam. De tien vorsten worden bij name genoemd voor de negen en een halve stam die ten westen van de Jordaan erfdeel ontvangen.
Jaar
2309 1696 BC
Bijbelverzen
Num 34:16-29
16Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: 17Dit zijn de namen der mannen, die ulieden het land ten erve zullen uitdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun. 18Daartoe zult gij uit elken stam een overste nemen, om het land ten erve uit te delen. 19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne; 20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud; 21Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon; 22En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli; 23Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod; 24En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan; 25En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach; 26En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan; 27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi; 28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud. 29Dit zijn ze, dien de HEERE geboden heeft, den kinderen Israels de erfenissen uit te delen, in het land Kanaan.