Slag bij de wateren van Merom
Ook bekend als: Slag bij Merom
Jaar:
2561 1444 BC
Type: Slag
Aanval/verdediging: Aanval
Uitkomst: Overwinning
Tegenstander: Noordelijk verbond onder leiding van Jabin, koning van Hazor
Godsopdracht: Ja
— De HEERE zei: Wees niet bevreesd voor hen, want Ik zal hen morgen op dit tijdstip voor het aangezicht van Israël verslagen geven (Joz 11:6)
Aanleiding
Noordelijke koningen verenigde zich tegen Israël na de successen in het zuiden
Jabin, koning van Hazor, smeedde een verbond met meerdere koningen van Noord-Kanaän. Zij kwamen bijeen bij de wateren van Merom. De HEERE verzekerde Jozua de overwinning; Israël viel plotseling aan en versloeg hen. Hun paarden werden verlamd en strijdwagens verbrand.
Bijbelverzen
Joz 11:1-9
1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf, 2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren; 3Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa. 4Dezen nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan den oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens. 5Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israel te krijgen. 6En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden. 7En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen. 8En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten. 9Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.