Hagar en Ismaël verdreven naar woestijn van Berseba

Vlucht #13 2048 1957 BC

Omschrijving

Abraham stuurde Hagar en Ismaël weg met brood en water. Zij dwaalde rond in de woestijn van Berseba, waar God haar een waterbron toonde en Ismaël zegende.

Personen

Bijbelverzen

Gen 21:14-21
14Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba. 15Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken. 16En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende. 17En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is. 18Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen. 19En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken. 20En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter. 21En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.

Plaatsen