God riep Abram om uit zijn land te vertrekken naar het land dat Hij hem zou wijzen. Abram trok met Sarai en Lot naar Kanaän, waar God hem het land beloofde.
Abram trok met Sarai en Lot terug uit Egypte naar het Zuiderland en verder naar Bethel, waar hij eerder een altaar had gebouwd en de naam van de HEERE aanriep.
Toen Abram hoorde dat Lot gevangen was genomen, bewapende hij zijn geoefende mannen en achtervolgde de vijanden tot Dan, waar hij Lot en zijn bezittingen bevrijdde.
Engelen drongen bij Lot aan om met zijn vrouw en dochters Sodom te verlaten vanwege het naderende oordeel. Ze vluchtten naar Zoar, waarna God zwavel en vuur op Sodom liet regenen.
Abraham stuurde Hagar en Ismaël weg met brood en water. Zij dwaalde rond in de woestijn van Berseba, waar God haar een waterbron toonde en Ismaël zegende.
Vanwege hongersnood ging Izak naar Gerar, naar koning Abimelech. God verscheen hem en zei dat hij niet naar Egypte moest trekken, maar in het beloofde land moest blijven.
Izak vertrok uit Gerar en sloeg zijn kamp op in het dal, waar hij waterputten groef. Na conflicten met herders trok hij verder naar Berseba, waar de HEERE hem verscheen.
Jakob vertrok uit Berseba naar Haran en overnachtte onderweg. Hij droomde van een ladder tot de hemel, waarop God hem het land en nageslacht beloofde. Hij noemde die plaats Bethel.
Jakob vluchtte met zijn vrouwen en bezittingen van Laban terug naar Kanaän. Onderweg worstelde hij bij Pniël met God, die zijn naam veranderde in Israël.
God zei tegen Jakob dat hij naar Bethel moest gaan om daar te wonen en een altaar te bouwen. Jakob droeg zijn huisgezin op de vreemde goden weg te doen en zich te reinigen.
Mozes stuurde twaalf verspieders, onder wie Jozua en Kaleb, om het land Kanaän te verkennen. Na veertig dagen keerden zij terug met vruchten en een verslag over het land.
Balak, koning van Moab, liet Bileam halen om Israël te vervloeken. Onderweg werd Bileam tegengehouden door de Engel van de HEERE, wat zijn ezelin zag maar hij niet.
Na de dood van Mozes leidde Jozua het volk Israël over de Jordaan naar Kanaän. Het water van de Jordaan werd afgesneden toen de priesters met de ark het water betraden.
Rachab verborg de twee Israëlitische verspieders in Jericho en hielp hen ontsnappen. Bij de val van Jericho werd zij met haar familie gespaard vanwege haar hulp.
De profetes Debora stuurde Barak eropuit om met tienduizend man naar de berg Tabor te trekken en Sisera, de legeraanvoerder van Jabin, te verslaan. Barak versloeg het leger van Sisera.
Gideon werd door God geroepen om Israël te bevrijden van de Midianieten. Met driehonderd man versloeg hij het vijandelijke leger door een list met fakkels en kruiken.
Simson ging naar Gaza en bezocht daar een hoer. De inwoners omsingelden hem, maar hij rukte 's nachts de deuren van de stadspoort uit en droeg ze naar een heuvel bij Hebron.
David zwierf door de woestijn van Juda, op de vlucht voor Saul. Hij bevrijdde Kehila van de Filistijnen en verborg zich in de woestijnen van Zif en Maon.
Abner, de legeraanvoerder van Saul, stuurde boden naar David om een verbond te sluiten en heel Israël aan Davids kant te brengen. Hij reisde naar David in Hebron.
Elia reisde van Gilgal via Bethel en Jericho naar de Jordaan, vergezeld door Elisa. Hij werd in een storm met vurige wagen en paarden opgenomen in de hemel.
Naäman, de melaatse legeraanvoerder van Syrië, kwam naar Elisa in Israël. Elisa stuurde hem naar de Jordaan om zich zeven keer te wassen, waarna hij genezen werd.
Naäman reisde van Syrië naar Israël met brieven en geschenken om genezing van zijn melaatsheid te zoeken. Elisa stuurde hem naar de Jordaan, waar hij na zeven keer wassen genezen werd.
In het eerste jaar van koning Kores van Perzië werden de Joden opgeroepen terug te keren naar Jeruzalem om het huis van de HEERE te herbouwen. Zerubbabel en Jesua leidden de eerste groep terug.
Ezra, een schriftgeleerde bedreven in de wet van Mozes, trok op van Babel naar Jeruzalem met toestemming van koning Arthahsasta om de wet van God te onderwijzen in Israël.
Nehemia inspecteerde 's nachts in het geheim de verwoeste muren van Jeruzalem. Hij reed door de Dalpoort langs de Drakenbron en Mestpoort om de schade op te nemen.
In het tweeëndertigste jaar van Arthahsasta keerde Nehemia terug naar Susan bij de koning. Na verloop van tijd kreeg hij opnieuw verlof om naar Jeruzalem te gaan.
Nebukadnezar belegerde Jeruzalem en voerde Daniël, Hananja, Misaël en Azarja als jonge mannen van koninklijke afkomst weg naar Babel om te dienen aan het hof.
Toen Jezus hoorde dat Johannes was overgeleverd, keerde Hij terug naar Galilea en ging wonen in Kapernaüm aan het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali.
Jezus reed op een ezelin Jeruzalem binnen terwijl de menigte palmtakken op de weg legde en riep: Hosanna, de Zoon van David! De hele stad was in rep en roer.
Jezus vertrok naar het gebied van Tyrus en Sidon. Een Syro-Fenicische vrouw smeekte Hem haar dochter te genezen van een onreine geest, en Jezus verhoorde haar.
Vanwege een volkstelling door keizer Augustus reisden Jozef en de zwangere Maria van Nazareth naar Bethlehem, de stad van David, waar Jezus geboren werd.
Jozef en Maria reisden elk jaar naar Jeruzalem voor het Pesachfeest. Toen Jezus twaalf was, bleef Hij achter in de tempel, waar zij Hem na drie dagen vonden tussen de leraren.
Jezus keerde in de kracht van de Geest terug naar Galilea en onderwees in de synagoge van Nazareth. Toen Hij Zichzelf als vervulling van Jesaja's profetie aanwees, wilden de inwoners Hem van de berg werpen.
Jezus wees zeventig discipelen aan en zond hen twee aan twee uit naar elke stad en plaats waar Hij zou komen, om te genezen en het Koninkrijk van God te verkondigen.