Omschrijving
Een stad aan de zuidoostelijke oever van de Dode Zee, de kleinste van de vijf steden in de vlakte (Genesis 14:2,8). Lot vluchtte naar Zoar toen Sodom en Gomorra werden verwoest, nadat hij had gesmeekt om naar deze kleine stad te mogen gaan in plaats van naar het gebergte: 'Deze stad is dichtbij genoeg om erheen te vluchten, en zij is klein' (Genesis 19:20-23). De naam betekent 'klein'. Mozes zag vanuit de berg Nebo 'de vlakte, het dal van Jericho, de Palmstad, tot Zoar' (Deuteronomium 34:3). Jesaja en Jeremia noemen Zoar in hun profetieën over Moab (Jesaja 15:5, Jeremia 48:34).
Kaart
Historische gebeurtenissen
Profetieën
Reizen
Bijbelverzen
Gen 13:10
10En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de HEERE Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar.
Gen 14:2
2Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar.
Gen 14:8
8Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim,
Gen 19:22-23
22Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar. 23De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.
Gen 19:30
30En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.
Deut 34:3
3En het Zuiden, en het effen veld der vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe.
Jes 15:5
5Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar den opgang van Luhith, want op den weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei.
Jer 48:34
34Vanwege Hesbons gekrijt tot Eleale toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem verheven, van Zoar tot aan Horonaim, die driejarige vaarze; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden.