Een grote en dichtbevolkte stad aan de Thermaïsche Golf. Het was de hoofdstad van een van de vier Romeinse districten van Macedonië. De stad werd vernoemd naar Thessalonica, de vrouw van Cassander, die de stad bouwde. Zij kreeg deze naam van haar vader Filippus, omdat hij op de dag van haar geboorte een overwinning op de Thessaliërs behaalde. Tijdens zijn tweede zendingsreis predikte Paulus in de synagoge, de belangrijkste synagoge van de Joden in dat deel van Macedonië, en legde de grondslagen voor een gemeente (Handelingen 17:1-4; 1 Tessalonicenzen 1:9). Het geweld van de Joden verdreef hem uit de stad, waarna hij naar Berea vluchtte (Handelingen 17:5-10). De 'stadsbestuurders' voor wie de Joden Jason sleepten, worden in het origineel politarchai genoemd, een ongebruikelijk woord dat echter op een boog in Thessalonica is aangetroffen. Paulus bezocht de gemeente later opnieuw (Handelingen 20:1-3). De stad behield lang haar belangrijkheid en staat nu bekend als Thessaloniki.
Kaart
Bijbelverzen
Hand 17:1
1En door Amfipolis en Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, alwaar een synagoge der Joden was.
Hand 17:11-13
11En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren. 13Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord Gods ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen.
Hand 27:2
2En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, alzo wij de plaatsen langs Azie bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedonier van Thessalonica, was met ons.
Fil 4:16
16Want ook in Thessalonica hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden, tot nooddruft.
1 Tess 1:1
1Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, welke is in God den Vader, en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
2 Tess 1:1
1Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, welke is in God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus:
1 Tim 1:3
3Gelijk ik u vermaand heb, dat gij te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonie reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat gij sommigen beveelt geen andere leer te leren;
2 Tim 4:10
10Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatie, Titus naar Dalmatie.