Omschrijving
De legerplaats Sittim (Abel-Sittim) in de vlakten van Moab, de laatste halteplaats voor de Jordaanovertocht. Hier vielen de Israëlieten in zonde met de Moabitische vrouwen en de Baäl van Peor, waarna God een plaag zond (Numeri 25:1-9). Vanuit Sittim zond Jozua de twee verspieders naar Jericho, die door Rachab werden verborgen (Jozua 2:1). Vanuit Sittim vertrok Israël naar de Jordaan voor de overtocht (Jozua 3:1). Hosea herinnert Israël aan de zonde van Sittim (Hosea 5:2). Micha roept op: 'Gedenk toch wat Balak beraamde en wat Bileam antwoordde, van Sittim tot Gilgal' (Micha 6:5).
Kaart
Bijbelverzen
Num 25:1
1En Israel verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochteren der Moabieten.
Joz 2:1
1Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die heimelijk verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen ten huize van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.
Joz 3:1
1Jozua dan maakte zich des morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen Israels; en zij vernachtten aldaar, eer zij overtrokken.
Hos 5:2
2En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn.
Mi 6:5
5Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kent.