Omschrijving
Een stad in het stamgebied van Benjamin, ten noordoosten van Jeruzalem. De Filistijnen legerden zich met drieduizend strijdwagens bij Michmas (1 Samuël 13:5). Jonathan en zijn wapendrager beklommen in geloof de bergpas van Michmas en versloegen de Filistijnse wachtpost, waarna paniek uitbrak in het Filistijnse leger (1 Samuël 13:23-14:15). Jesaja beschrijft in zijn profetie de Assyrische opmars: 'Hij legt zijn wapentuig neer in Michmas' (Jesaja 10:28). Na de ballingschap werd Michmas opnieuw bewoond (Ezra 2:27, Nehemia 7:31).
Kaart
Historische gebeurtenissen
Bijbelverzen
1 Sam 13:2-5
2Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israel; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent. 5En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israel, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.
1 Sam 13:11
11Toen zeide Samuel: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren,
1 Sam 13:16
16En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.
1 Sam 13:23
23En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.
1 Sam 14:5
5De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba.
1 Sam 14:31
31Doch zij sloegen te dien dage de Filistijnen van Michmas tot Ajalon; en het volk was zeer moede.
Ezra 2:27
27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
Neh 7:31
31De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;
Neh 11:31
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
Jes 10:28
28Hij komt te Ajath, hij trekt door Migron; te Michmas legt hij zijn gereedschap af.