Mahanaïm

Nederzetting Wikidata

Omschrijving

Een stad ten oosten van de Jordaan, op de grens van Gad en Manasse (Jozua 13:26,30). Hier ontmoette Jakob engelen van God na zijn terugkeer uit Haran: 'Dit is een leger van God! En hij noemde die plaats Mahanaïm' (Genesis 32:2). Isboseth, Sauls zoon, werd hier door Abner tot koning gemaakt (2 Samuël 2:8). David vluchtte naar Mahanaïm tijdens Absaloms opstand en werd er gastvrij ontvangen door Barzillai en anderen (2 Samuël 17:24,27). De stad was een levitische stad (Jozua 21:38).

Kaart

Personen

Profetieën

Bijbelverzen

Gen 32:2
2En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim.
Joz 13:26
26En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;
Joz 13:30
30Zodat hun landpale was van Mahanaim af, het ganse Bazan, het ganse koninkrijk van Og, den koning van Bazan, en al de vlekken van Jair, die in Bazan zijn, zestig steden.
Joz 21:38
38Van den stam van Gad nu, de vrijstad des doodslagers, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden;
2 Sam 2:8-12
8Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim, 10Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na. 12Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.
2 Sam 2:29
29Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het ganse Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.
2 Sam 17:24-27
24David nu kwam te Mahanaim, en Absalom toog over de Jordaan, hij en alle mannen van Israel met hem. 27En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba der kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiel, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim,
2 Sam 18:23
23Wat het ook zij, zeide hij, laat mij heenlopen; zo zeide hij tot hem: Loop heen. En Ahimaaz liep den weg van het effen veld, en kwam Cuschi voorbij.
2 Sam 19:32
32Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; en hij had den koning onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man.
1 Kon 2:8
8En zie, bij u is Simei, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldigen vloek, ten dage als ik ging naar Mahanaim; doch hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij den HEERE, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!
1 Kon 4:14
14Abinadab, de zoon van Iddo, was te Mahanaim.
1 Kron 6:80
80En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden,
2 Kron 20:1
1Het geschiedde nu na dezen, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en het hen anderen benevens de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde.
Hoogl 6:13
13Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.