Omschrijving
De oude naam voor Jeruzalem toen de stad nog door de Jebusieten werd bewoond. De stam Benjamin kon de Jebusieten van Jebus niet verdrijven (Jozua 18:28, Richteren 1:21). De Leviet en zijn bijvrouw weigerden in Jebus te overnachten omdat het een 'heidense stad' was en trokken door naar Gibea — met tragische gevolgen (Richteren 19:10-12). David veroverde uiteindelijk de vesting van de Jebusieten en maakte er zijn hoofdstad van (2 Samuël 5:6-9).
Kaart
Personen
Bijbelverzen
Joz 15:8
8En deze landpale zal opgaan door het dal van den zoon van Hinnom, aan de zijde van den Jebusiet van het zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, hetwelk in het uiterste van het dal der Refaieten is, tegen het noorden.
Joz 18:16
16En deze landpale gaat af tot aan het uiterste des bergs, die tegenover het dal van den zoon van Hinnom is, die in het dat der Refaiten is tegen het noorden; en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde der Jebusieten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein van Rogel;
Joz 18:28
28En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden mitsgaders haar dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen.
Recht 19:10-11
10Doch de man wilde niet vernachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (dewelke is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezelen; ook was zijn bijwijf met hem. 11Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zeide tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad der Jebusieten wijken, en daarin vernachten.
1 Kron 11:4-5
4En David toog henen, en gans Israel, naar Jeruzalem, welke is Jebus; want daar waren de Jebusieten, de inwoners des lands. 5En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog won den burg Sion, welke is de stad Davids.