Een stad ten oosten van de Jordaan, op een van de groene heuvels van Gilead, binnen het grondgebied van de halve stam Manasse, met uitzicht op Beth-San. De stad wordt het eerst genoemd in verband met de wraak op haar inwoners, omdat zij geweigerd hadden naar Mizpa te komen om met Israel tegen de stam Benjamin op te trekken (Richteren 21:8-14). Na de veldslagen bij Gibea was die stam bijna uitgeroeid; slechts zeshonderd mannen bleven over. Een expeditie trok tegen Jabes in Gilead, waarvan alle inwoners gedood werden, behalve vierhonderd maagden die als gevangenen werden meegevoerd en aan de Benjaminieten als vrouwen werden gegeven om de stam van uitsterven te redden (Richteren 21). Later werd de stad ingenomen door Nahas, koning van de Ammonieten, maar bevrijd door Saul. Uit dankbaarheid haalden de mannen van Jabes veertig jaar later de lichamen van Saul en zijn drie zonen van de muren van Beth-San, verbrandden ze en begroeven de beenderen onder een boom bij de stad (1 Samuel 31:11-13). David dankte hen voor deze daad van vroomheid (2 Samuel 2:4-6) en bracht de resten later over naar het koninklijk graf (2 Samuel 21:14). De stad wordt geidentificeerd met de ruines van ed-Deir, ongeveer 10 km ten zuiden van Pella, ten noorden van de Wadi Jabis.
Kaart
Bijbelverzen
Recht 21:8-14
8En zij zeiden: Is er iemand van de stammen van Israel, die niet opgekomen is tot den HEERE te Mizpa? En ziet, van Jabes in Gilead was niemand opgekomen in het leger, tot de gemeente. 9Want het volk werd geteld, en ziet, er was niemand van de inwoners van Jabes in Gilead. 10Toen zond de vergadering daarheen twaalf duizend mannen, van de strijdbaarste; en zij geboden hun, zeggende: Trekt heen, en slaat met de scherpte des zwaards de inwoners van Jabes in Gilead, met de vrouwen en de kinderkens. 12En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jonge dochters, die maagden waren, die geen man bekend hadden in bijligging des mans; en zij brachten die in het leger te Silo, dewelke is in het land Kanaan. 14Alzo kwamen de Benjaminieten ter zelfder tijd weder; en zij gaven hun de vrouwen, die zij in het leven behouden hadden van de vrouwen van Jabes in Gilead; maar alzo waren er nog niet genoeg voor hen.
1 Sam 11:1
1Toen toog Nahas, de Ammoniet, op, en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tot Nahas: Maak een verbond met ons, zo zullen wij u dienen.
1 Sam 11:9
9Toen zeiden zij tot de boden, die gekomen waren: Aldus zult gijlieden den mannen te Jabes in Gilead zeggen: Morgen zal u verlossing geschieden, als de zon heet worden zal. Als de boden kwamen, en verkondigden dat aan de mannen te Jabes, zo werden zij verblijd.
1 Sam 31:11
11Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden;
2 Sam 2:4-5
4Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben. 5Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
2 Sam 21:12
12Zo ging David henen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon, van de burgeren van Jabes in Gilead, die dezelve gestolen hadden van de straat Beth-San, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, ten dage als de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa.
1 Kron 10:11
11Als geheel Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,