Haran

Nederzetting Wikidata

Omschrijving

Een stad in het noorden van Mesopotamië, aan een zijtak van de Eufraat, een belangrijk kruispunt van handelsroutes. Terach trok met zijn familie vanuit Ur der Chaldeeën naar Haran, waar hij stierf (Genesis 11:31-32). Vanuit Haran riep God Abraham om naar Kanaän te gaan (Genesis 12:4). Jakob vluchtte naar Haran, naar zijn oom Laban, waar hij veertien jaar werkte voor Rachel en Lea (Genesis 27:43, 29). Haran was een centrum van maangodverering.

Kaart

Personen

Historische gebeurtenissen

Profetieën

Reizen

Bijbelverzen

Gen 11:31-32
31En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeen, om te gaan naar het land Kanaan; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar. 32En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.
Gen 12:4-5
4En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging. 5En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.
Gen 27:43
43Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlied gij naar Haran, tot Laban, mijn broeder.
Gen 28:10
10Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran.
Gen 29:4
4Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.
2 Kon 19:12
12Hebben de goden der volken, die mijn vaders verdorven hebben, dezelve gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?
Jes 37:12
12Hebben de goden der volken die mijn vaders verdorven hebben, dezelven gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?
Ez 27:23
23Haran, en Kanne, en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met u.
Hand 7:2-4
2En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamie, eer hij woonde in Charran; 4Toen ging hij uit het land der Chaldeen, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.