Sem

Naam

Alternatieve spelling Shem
Betekenis naam naam, reputatie

Familie

Geboortejaar
1558 2447 BC
Leeftijd
600
jaar
Voorouders
10
generaties
Nakomelingen
66
generaties

Notities

Geboren toen Noach 502 was. Stamvader van de Semieten (Genesis 11:10)

Historische gebeurtenissen

Profetieën

Bijbelverzen

Gen 5:32
32En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.
Gen 6:10
10En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
Gen 7:6-13
6Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was. 7Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds. 8Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt, 9Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had. 10En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren. 11In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend. 12En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten. 13Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;
Gen 7:17-24
17En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde. 18En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren. 19En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder den ganse hemel zijn, bedekt werden. 20Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt. 21En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens. 22Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven. 23Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was. 24En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.
Gen 8:15-19
15Toen sprak God tot Noach, zeggende: 16Ga uit de ark, gij, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen uwer zonen met u. 17Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde. 18Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem. 19Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.
Gen 9:1-27
1En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde! 2En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven. 3Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid. 4Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten. 5En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen. 6Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt. 7Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve. 8Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende: 9Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u; 10En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe. 11En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven. 12En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussen ulieden, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten. 13Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken des verbonds tussen Mij en tussen de aarde. 14En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken; 15Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven. 16Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is. 17Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is. 18En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaan. 20En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard. 21En hij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent. 22En Cham, Kanaans vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broederen daar buiten te kennen. 23Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij legden het op hun beider schouderen, en gingen achterwaarts, en bedekten de naaktheid huns vaders; en hun aangezichten waren achterwaarts, gekeerd zodat zij de naaktheid huns vaders niet zagen. 24En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had. 25En hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijn broederen! 26Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem; en Kanaan zij hem een knecht! 27God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaan zij hem een knecht!
Gen 10:1-32
1Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed. 2De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. 3En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma. 4En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. 5Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken. 6En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan. 7En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. 8En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde. 9Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN. 10En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. 11Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach. 12En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad. 13En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten, 14En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten. 15En Kanaan gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, 16En de Jesubiet, en de Amoriet, en de Girgasiet, 17En de Hivviet, en de Arkiet, en de Siniet, 18En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid. 19En de landpale der Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. 20Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken. 21Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste. 22Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. 23En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz. 24En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber. 25En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan. 26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach, 27En Hadoram, en Usal, en Dikla, 28En Obal, en Abimael, en Scheba, 29En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan. 30En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten. 31Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken. 32Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.
Gen 11:10-11
10Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewon Arfachsad, twee jaren na den vloed. 11En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
1 Kron 1:1-27
1Adam, Seth, Enos, 2Kenan, Mahalal-el, Jered, 3Henoch, Methusalah, Lamech, 4Noach, Sem, Cham en Jafeth. 5De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras. 6En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma. 7En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten. 8De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan. 9En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan. 10Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde. 11En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten, 12En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten. 13Kanaan nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, 14En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet, 15En den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet, 16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet. 17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech. 18Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber. 19Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan. 20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah, 21En Hadoram, en Uzal, en Dikla, 22En Ebal, en Abimael, en Scheba, 23En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan. 24Sem, Arfachsad, Selah, 25Heber, Peleg, Rehu, 26Serug, Nahor, Terah, 27Abram; die is Abraham.
Luc 3:36
36Den zoon van Kainan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van Noe, den zoon van Lamech,