Maria (Maagd)

Vrouw

Naam

Alternatieve spelling Mary
Betekenis naam [variously] bitterheid; plump; wished-voor kind; die liefdes of is liefded

Familie

Vader Heli
Partner Jozef Jozef II
Broers & zussen Jozef (man van Maria)
Geboortejaar
Leeftijd
Voorouders
73
generaties
Nakomelingen
1
generaties

Notities

Hebrew Miriam. The wife of Joseph, the mother of Jesus, called the "Virgin Mary," though never so designated in Scripture ( Matthew 2:11 ; Acts 1:14 ). Little is known of her personal history. Her genealogy is given in Luke 3 . She was of the tribe of Judah and the lineage of David ( Psalms 132:11 ; Luke 1:32 ). She was connected by marriage with Elisabeth, who was of the lineage of Aaron ( Luke 1:36 ). While she resided at Nazareth with her parents, before she became the wife of Joseph, the angel Gabriel announced to her that she was to be the mother of the promised Messiah ( Luke 1:35 ). After this she went to visit her cousin Elisabeth, who was living with her husband Zacharias (probably at Juttah, Joshua 15:55 ; 21:16 , in the neighbourhood of Maon), at a considerable distance, about 100 miles, from Nazareth. Immediately on entering the house she was saluted by Elisabeth as the mother of her Lord, and then forthwith gave utterance to her hymn of thanksgiving ( Luke 1:46-56 ; Compare 1�Samuel 2:1-10 ). After three months Mary returned to Nazareth to her own home. Joseph was supernaturally made aware ( Matthew 1:18-25 ) of her condition, and took her to his own home. Soon after this the decree of Augustus ( Luke 2:1 ) required that they should proceed to Bethlehem ( Micah 5:2 ), some 80 or 90 miles from Nazareth; and while they were there they found shelter in the inn or khan provided for strangers ( Luke 2:6 Luke 2:7 ). But as the inn was crowded, Mary had to retire to a place among the cattle, and there she brought forth her son, who was called Jesus ( Matthew 1:21 ), because he was to save his people from their sins. This was followed by the presentation in the temple, the flight into Egypt, and their return in the following year and residence at Nazareth ( Matthew 2 ). There for thirty years Mary, the wife of Joseph the carpenter, resides, filling her own humble sphere, and pondering over the strange things that had happened to her. During these years only one event in the history of Jesus is recorded, viz., his going up to Jerusalem when twelve years of age, and his being found among the doctors in the temple ( Luke 2:41-52 ). Probably also during this period Joseph died, for he is not again mentioned. After the commencement of our Lord's public ministry little notice is taken of Mary. She was present at the marriage in Cana. A year and a half after this we find her at Capernaum ( Matthew 12:46 Matthew 12:48 Matthew 12:49 ), where Christ uttered the memorable words, "Who is my mother? and who are my brethren? And he stretched forth his hand toward his disciples, and said, Behold my mother and my brethren!" The next time we find her is at the cross along with her sister Mary, and Mary Magdalene, and Salome, and other women ( John 19:26 ). From that hour John took her to his own abode. She was with the little company in the upper room after the Ascension ( Acts 1:14 ). From this time she wholly disappears from public notice. The time and manner of her death are unknown.</p>

Profetieën

Reizen

Bijbelverzen

Mat 1:16-20
16En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus. 18De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, Zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. 20En alzo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest;
Mat 2:11-14
11En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre. 14Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte;
Mat 2:20-21
20Zeggende: Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israels; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten. 21Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kindeken en Zijn moeder, en is gekomen in het land Israels.
Mat 13:55
55Is Deze niet de Zoon des timmermans? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas?
Mar 3:31
31Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.
Mar 6:3
3Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geergerd.
Luc 1:27-30
27Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria. 30En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.
Luc 1:34
34En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?
Luc 1:38-41
38En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar. 39En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda; 41En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;
Luc 1:46
46En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere;
Luc 1:56
56En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis.
Luc 2:5
5Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.
Luc 2:16-19
16En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe. 19Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart.
Luc 2:34
34En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.
Luc 2:39-40
39En als zij alles voleindigd hadden, wat naar de wet des Heeren te doen was, keerden zij weder naar Galilea, tot hun stad Nazareth. 40En het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem.
Joh 19:25
25En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijner moeders zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.
Hand 1:14
14Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broederen.