Ketura

Vrouw

Naam

Alternatieve spelling Keturah
Betekenis naam incense, scented

Familie

Geboortejaar
Leeftijd
Voorouders
Nakomelingen
5
generaties

Gen 25:1-4 Staten Vertaling (SV)

1En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura.

4En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketura.

1 Kron 1:28-54 Staten Vertaling (SV)

28De kinderen van Abraham waren Izak en Ismael.

29Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismael was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam,

30Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,

31Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismael.

32De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.

33De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura.

34Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel.

35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.

36De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.

37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.

38De kinderen van Seir nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.

39De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna.

40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.

41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.

42De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.

43Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhaba.

44En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.

45En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.

46En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en den naam zijner stad was Avith.

47En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.

48En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.

49En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.

50Als Baal-Hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-Sahab.

51Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,

52De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon,

53De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,

54De vorst Magdiel, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.

Bijbelverzen

Gen 25:1-4
1En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura. 4En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketura.
1 Kron 1:28-54
28De kinderen van Abraham waren Izak en Ismael. 29Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismael was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam, 30Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema, 31Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismael. 32De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan. 33De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura. 34Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel. 35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah. 36De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek. 37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza. 38De kinderen van Seir nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan. 39De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna. 40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana. 41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran. 42De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran. 43Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhaba. 44En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra. 45En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats. 46En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en den naam zijner stad was Avith. 47En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats. 48En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats. 49En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. 50Als Baal-Hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-Sahab. 51Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth, 52De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon, 53De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar, 54De vorst Magdiel, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.