Son of Simon ( John 6:71 ; John 13:2 John 13:26 ), surnamed Iscariot, i.e., a man of Kerioth ( Joshua 15:25 ). His name is uniformly the last in the list of the apostles, as given in the synoptic (i.e., the first three) Gospels. The evil of his nature probably gradually unfolded itself till "Satan entered into him" ( John 13:27 ), and he betrayed our Lord ( 18:3 ). Afterwards he owned his sin with "an exceeding bitter cry," and cast the money he had received as the wages of his iniquity down on the floor of the sanctuary, and "departed and went and hanged himself" ( Matthew 27:5 ). He perished in his guilt, and "went unto his own place" ( Acts 1:25 ). The statement in Acts 1:18 that he "fell headlong and burst asunder in the midst, and all his bowels gushed out," is in no way contrary to that in Matthew 27:5 . The sucide first hanged himself, perhaps over the valley of Hinnom, "and the rope giving way, or the branch to which he hung breaking, he fell down headlong on his face, and was crushed and mangled on the rocky pavement below." Why such a man was chosen to be an apostle we know not, but it is written that "Jesus knew from the beginning who should betray him" ( John 6:64 ). Nor can any answer be satisfactorily given to the question as to the motives that led Judas to betray his Master. "Of the motives that have been assigned we need not care to fix on any one as that which simply led him on. Crime is, for the most part, the result of a hundred motives rushing with bewildering fury through the mind of the criminal."
4Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
Mat 26:14-16
14Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters, 15En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen. 16En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.
Mat 26:25
25En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.
Mat 26:47-50
47En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks. 48En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem. 49En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem. 50Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
Mat 27:3-5
3Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht, 4Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien. 5En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde zichzelven.
Mar 3:19
19En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
Mar 14:10
10En Judas Iskariot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren.
Mar 14:43
43En terstond, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.
Luc 6:16
16Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
Luc 22:3-6
3En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalven. 4En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren. 5En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden. 6En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun over te leveren, zonder oproer.
Luc 22:47-48
47En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen. 48En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?
Joh 6:71
71En Hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven.
Joh 12:4
4Zo zeide dan een van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskariot, die Hem verraden zou:
Joh 13:2
2En als het avondmaal gedaan was,, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou),
Joh 13:26-29
26Jezus antwoordde: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot. 29Want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop, hetgeen wij van node hebben tot het feest, of, dat hij den armen wat geven zou.
Joh 14:22
22Judas, niet de Iskariot, zeide tot Hem: Heere, wat is het, dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?
Joh 18:2-5
2En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen. 3Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeen, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen. 5Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.
Hand 1:16
16Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus vingen;
Hand 1:25
25Om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats.