(Heb. Yesh'yahu, i.e., "the salvation of Jehovah"). The son of Amoz ( Isaiah 1:1 ; 2:1 ), who was apparently a man of humble rank. His wife was called "the prophetess" ( 8:3 ), either because she was endowed with the prophetic gift, like Deborah (Judg. 4:4 ) and Huldah ( 2�Kings 22:14-20 ), or simply because she was the wife of "the prophet" ( Isaiah 38:1 ). He had two sons, who bore symbolical names. He exercised the functions of his office during the reigns of Uzziah (or Azariah), Jotham, Ahaz, and Hezekiah ( 1:1 ). Uzziah reigned fifty-two years (B.C. 810-759), and Isaiah must have begun his career a few years before Uzziah's death, probably B.C. 762. He lived till the fourteenth year of Hezekiah, and in all likelihood outlived that monarch (who died B.C. 698), and may have been contemporary for some years with Manasseh. Thus Isaiah may have prophesied for the long period of at least sixty-four years. His first call to the prophetical office is not recorded. A second call came to him "in the year that King Uzziah died" ( Isaiah 6:1 ). He exercised his ministry in a spirit of uncompromising firmness and boldness in regard to all that bore on the interests of religion. He conceals nothing and keeps nothing back from fear of man. He was also noted for his spirituality and for his deep-toned reverence toward "the holy One of Israel." In early youth Isaiah must have been moved by the invasion of Israel by the Assyrian monarch Pul (q.v.), 2�Kings 15:19 ; and again, twenty years later, when he had already entered on his office, by the invasion of Tiglath-pileser and his career of conquest. Ahaz, king of Judah, at this crisis refused to co-operate with the kings of Israel and Syria in opposition to the Assyrians, and was on that account attacked and defeated by Rezin of Damascus and Pekah of Samaria ( 2�Kings 16:5 ; 2 Chr. 2 Kings 28:5 2 Kings 28:6 ). Ahaz, thus humbled, sided with Assyria, and sought the aid of Tiglath-pileser against Israel and Syria. The consequence was that Rezin and Pekah were conquered and many of the people carried captive to Assyria ( 2�Kings 15:29 ; 16:9 ; 1�Chronicles 5:26 ). Soon after this Shalmaneser determined wholly to subdue the kingdom of Israel. Samaria was taken and destroyed (B.C. 722). So long as Ahaz reigned, the kingdom of Judah was unmolested by the Assyrian power; but on his accession to the throne, Hezekiah (B.C. 726), who "rebelled against the king of Assyria" ( 2�Kings 18:7 ), in which he was encouraged by Isaiah, who exhorted the people to place all their dependence on Jehovah ( Isaiah 10:24 ; 37:6 ), entered into an alliance with the king of Egypt ( Isaiah 30:2-4 ). This led the king of Assyria to threaten the king of Judah, and at length to invade the land. Sennacherib (B.C. 701) led a powerful army into Palestine. Hezekiah was reduced to despair, and submitted to the Assyrians ( 2�Kings 18:14-16 ). But after a brief interval war broke out again, and again Sennacherib (q.v.) led an army into Palestine, one detachment of which threatened Jerusalem ( Isaiah 36:2-22 ; 37:8 ). Isaiah on that occasion encouraged Hezekiah to resist the Assyrians ( 37:1-7 ), whereupon Sennacherib sent a threatening letter to Hezekiah, which he "spread before the Lord" ( 37:14 ). The judgement of God now fell on the Assyrian host. "Like Xerxes in Greece, Sennacherib never recovered from the shock of the disaster in Judah. He made no more expeditions against either Southern Palestine or Egypt." The remaining years of Hezekiah's reign were peaceful ( 2 Chronicles 32:23 2 Chronicles 32:27-29 ). Isaiah probably lived to its close, and possibly into the reign of Manasseh, but the time and manner of his death are unknown. There is a tradition that he suffered martyrdom in the heathen reaction in the time of Manasseh (q.v.).
Bijbelverzen
2 Kon 19:2-6
2Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, den zoon van Amoz; 5En de knechten van den koning Hizkia kwamen tot Jesaja. 6En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gij tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars van den koning van Assyrie gelasterd hebben.
2 Kon 19:20
20Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, zeggende: Zo spreekt de HEERE, de God Israels: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrie, heb Ik gehoord.
2 Kon 20:1-19
1In die dagen werd Hizkia krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven. 4Het gebeurde nu, als Jesaja uit het middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord des HEEREN tot hem geschiedde, zeggende: 7Daarna zeide Jesaja: Neemt een klomp vijgen; en zij namen ze, en legden ze op de zweer, en hij werd genezen. 8Hizkia nu had gezegd tot Jesaja: Welk is het teken, dat de HEERE mij gezond maken zal, en dat ik den derden dag in des HEEREN huis zal opgaan? 9En Jesaja zeide: Dit zal u een teken van den HEERE zijn, dat de HEERE het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: Zal de schaduw tien graden voorwaarts gaan, of tien graden achterwaarts keren? 11En Jesaja, de profeet, riep den HEERE aan; en Hij deed de schaduw tien graden achterwaarts keren in de graden, dewelke zij nederwaarts gegaan was, in de graden van Achaz' zonnewijzer. 14Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkia, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zeide: Zij zijn uit verren lande gekomen, uit Babel. 16Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor des HEEREN woord. 19Maar Hizkia zeide tot Jesaja: Het woord des HEEREN, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij: Zou het niet, naardien vrede en waarheid in mijn dagen wezen zal?
2 Kron 26:22
22Het overige nu der geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amos, beschreven.
2 Kron 32:20
20Maar de koning Jehizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden daartegen, en zij riepen naar den hemel.
2 Kron 32:32
32Het overige nu der geschiedenissen van Jehizkia, en zijn goeddadigheden, ziet, die zijn geschreven in het gezicht van den profeet Jesaja, den zoon van Amoz, en in het boek der koningen van Juda en Israel.
Jes 1:1
1Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.
Jes 2:1
1Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
Jes 7:3
3En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers;
Jes 13:1
1De last van Babel, dien Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
Jes 20:2-3
2Ter zelfder tijd sprak de HEERE, door den dienst van Jesaja, den zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind den zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed alzo, gaande naakt en barrevoets. 3Toen zeide de HEERE: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland;
Jes 37:2-6
2Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, den zoon van Amoz; 5En de knechten van den koning Hizkia kwamen tot Jesaja. 6En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gijlieden tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars des konings van Assyrie gelasterd hebben.
Jes 37:21
21Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen: Alzo zegt de HEERE, de God Israels: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrie, heb Ik gehoord.
Jes 38:1-4
1In die dagen werd Hizkia krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis; want gij zult sterven, en niet leven. 4Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jesaja, zeggende:
Jes 38:21
21Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.
Jes 39:3-8
3Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkia, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zeide: Zij zijn uit verren lande tot mij gekomen, uit Babel. 5Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord des HEEREN der heirscharen. 8Maar Hizkia zeide tot Jesaja: Het woord des HEEREN, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij: Doch het zij vrede en waarheid in mijn dagen!
Mat 3:3
3Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Mat 4:14
14Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:
Mat 8:17
17Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesaja, den profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.
Mat 12:17
17Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:
Mat 13:14
14En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.
Mat 15:7
7Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:
Mar 7:6
6Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
Luc 3:4
4Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Luc 4:17
17En Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats, daar geschreven was;
Joh 1:23
23Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.
Joh 12:38-41
38Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard? 39Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: 41Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.
Hand 8:28-30
28En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja. 30En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?
Hand 28:25
25En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen,
Rom 9:27-29
27En Jesaja roept over Israel: Al ware het getal der kinderen Israels gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden. 29En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Indien de Heere Sebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest.
Rom 10:16
16Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd?
Rom 10:20
20En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.
Rom 15:12
12En wederom zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.