Andreas

Naam

Alternatieve spelling Andrew

Familie

Vader Jonas
Geboortejaar
Leeftijd
Voorouders
1
generaties
Nakomelingen

Notities

manliness, a Greek name; one of the apostles of our Lord. He was of Bethsaida in Galilee ( John 1:44 ), and was the brother of Simon Peter ( Matthew 4:18 ; 10:2 ). On one occasion John the Baptist, whose disciple he then was, pointing to Jesus, said, "Behold the Lamb of God" ( John 1:40 ); and Andrew, hearing him, immediately became a follower of Jesus, the first of his disciples. After he had been led to recognize Jesus as the Messiah, his first care was to bring also his brother Simon to Jesus. The two brothers seem to have after this pursued for a while their usual calling as fishermen, and did not become the stated attendants of the Lord till after John's imprisonment ( Matthew 4:18 Matthew 4:19 ; Mark 1:16 Mark 1:17 ). Very little is related of Andrew. He was one of the confidential disciples ( John 6:8 ; 12:22 ), and with Peter, James, and John inquired of our Lord privately regarding his future coming ( Mark 13:3 ). He was present at the feeding of the five thousand ( John 6:9 ), and he introduced the Greeks who desired to see Jesus ( John 12:22 ); but of his subsequent history little is known. It is noteworthy that Andrew thrice brings others to Christ, (1) Peter; (2) the lad with the loaves; and (3) certain Greeks. These incidents may be regarded as a key to his character.

Historische gebeurtenissen

Plaatsen

Bijbelverzen

Mat 4:18-20
18En Jezus, wandelende aan de zee van Galilea, zag twee broeders, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers); 20Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.
Mat 10:2
2De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder;
Mar 1:16
16En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andreas, zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);
Mar 1:29
29En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes.
Mar 3:18
18En Andreas, en Filippus, en Bartholomeus, en Mattheus, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeus, en Thaddeus, en Simon Kananites,
Mar 13:3
3En als Hij gezeten was op den Olijfberg, tegen de tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas, alleen:
Luc 6:12-16
12En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God. 13En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde: 14Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus; 15Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes; 16Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
Joh 1:35-44
35Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen. 36En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods! 37En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus. 38En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zeide tot hen: 39Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont Gij? 40Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure. 41Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren. 42Deze vond eerst zijn broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus. 44Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zeide tot hem: Volg Mij.
Joh 6:1-15
1Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galilea, welke is de zee van Tiberias. 2En Hem volgde een grote schare, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de kranken. 3En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met Zijn discipelen. 4En het pascha, het feest der Joden, was nabij. 5Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen? 6(Doch dit zeide Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.) 7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. 8Een van Zijn discipelen, namelijk Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: 9Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen? 10En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal. 11En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden. 12En als zij verzadigd waren, zeide Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga. 13Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden. 14De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou. 15Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, Hij Zelf alleen.
Joh 12:20-36
20En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden; 21Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsaida in Galilea was, en baden hem, zeggende: Heer, wij wilden Jezus wel zien. 22Filippus kwam en zeide het Andreas; en Andreas en Filippus wederom zeiden het Jezus. 23Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden. 24Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort. 25Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven. 26Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren. 27Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. 28Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken. 29De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. 30Jezus antwoordde en zeide: Niet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil. 31Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden. 32En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken. 33(En dit zeide Hij, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zou.) 34De schare antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen? 35Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. 36Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen.
Hand 1:13
13En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeus en Mattheus, Jakobus, de zoon van Alfeus, en Simon Zelotes, en Judas, de broeder van Jakobus.