Amon

Naam

Alternatieve spelling Amon
Betekenis naam trustworthy

Familie

Vader Manasse II
Moeder Mesullemet
Partner Jedida
Broers & zussen Koning Amon
Kinderen Josias
Geboortejaar
Leeftijd
22
jaar
Voorouders
14
generaties
Nakomelingen
4
generaties

2 Kon 21:18-26 Staten Vertaling (SV)

18En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.

19Amon was twee en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Mesullemet, een dochter van Haruz van Jotba.

20En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; gelijk als zijn vader Manasse gedaan had.

21Want hij wandelde in al den weg, dien zijn vader gewandeld had, en hij diende de drekgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neder.

22Zo verliet hij den HEERE, den God zijner vaderen, en hij wandelde niet in den weg des HEEREN.

23En de knechten van Amon maakten een verbintenis tegen hem, en zij doodden den koning in zijn huis.

24Maar het volk des lands versloeg allen, die tegen den koning Amon een verbintenis gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.

25Het overige nu der geschiedenissen van Amon, wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

26En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats.

1 Kron 3:1-24 Staten Vertaling (SV)

1Dezen nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de Jizreelietische; de tweede Daniel, van Abigail, de Karmelietische;

2De derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;

3De vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, van zijn huisvrouw Egla.

4Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem.

5Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiel;

6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,

7En Nogah, en Nefeg, en Jafia,

8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.

9Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen der bijwijven, en Thamar hun zuster.

10Salomo's zoon nu was Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat;

11Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;

12Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham;

13Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkia; zijn zoon was Manasse;

14Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josia.

15De zonen van Josia nu waren dezen: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum.

16De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon.

17En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiel;

18Dezes zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.

19De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simei; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hunlieder zuster;

20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.

21De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.

22De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.

23En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.

24En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.

2 Kron 33:20-25 Staten Vertaling (SV)

20En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.

21Amon was twee en twintig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem.

22En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.

23Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.

24En zijn knechten maakten een verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis.

25Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.

Jer 1:2 Staten Vertaling (SV)

2Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering.

Jer 25:3 Staten Vertaling (SV)

3Van het dertiende jaar van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.

Zef 1:1 Staten Vertaling (SV)

1Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefanja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedalja, den zoon van Amarja, den zoon van Hizkia; in de dagen van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda.

Mat 1:10 Staten Vertaling (SV)

10En Ezekias gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josias;

Historische gebeurtenissen

Plaatsen

Bijbelverzen

2 Kon 21:18-26
18En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. 19Amon was twee en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Mesullemet, een dochter van Haruz van Jotba. 20En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; gelijk als zijn vader Manasse gedaan had. 21Want hij wandelde in al den weg, dien zijn vader gewandeld had, en hij diende de drekgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neder. 22Zo verliet hij den HEERE, den God zijner vaderen, en hij wandelde niet in den weg des HEEREN. 23En de knechten van Amon maakten een verbintenis tegen hem, en zij doodden den koning in zijn huis. 24Maar het volk des lands versloeg allen, die tegen den koning Amon een verbintenis gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats. 25Het overige nu der geschiedenissen van Amon, wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? 26En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats.
1 Kron 3:1-24
1Dezen nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de Jizreelietische; de tweede Daniel, van Abigail, de Karmelietische; 2De derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith; 3De vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, van zijn huisvrouw Egla. 4Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem. 5Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiel; 6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet, 7En Nogah, en Nefeg, en Jafia, 8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen. 9Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen der bijwijven, en Thamar hun zuster. 10Salomo's zoon nu was Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat; 11Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas; 12Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham; 13Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkia; zijn zoon was Manasse; 14Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josia. 15De zonen van Josia nu waren dezen: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum. 16De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. 17En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiel; 18Dezes zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 19De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simei; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hunlieder zuster; 20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf. 21De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja. 22De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes. 23En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie. 24En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.
2 Kron 33:20-25
20En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. 21Amon was twee en twintig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem. 22En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze. 23Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld. 24En zijn knechten maakten een verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis. 25Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.
Jer 1:2
2Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering.
Jer 25:3
3Van het dertiende jaar van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.
Zef 1:1
1Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefanja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedalja, den zoon van Amarja, den zoon van Hizkia; in de dagen van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda.
Mat 1:10
10En Ezekias gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josias;