Agrippa

Notities

son of the foregoing, was born at Rome, A.D. 27. He was the brother of Bernice and Drusilla. The Emperor Claudius (A.D. 48) invested him with the office of superintendent of the Temple of Jerusalem, and made him governor (A.D. 50) of Chalcis. He was afterwards raised to the rank of king, and made governor over the tetrarchy of Philip and Lysanias ( Acts 25:13 ; Acts 26:2 Acts 26:7 ). It was before him that Paul delivered (A.D. 59) his speech recorded in Acts 26 . His private life was very profligate. He died (the last of his race) at Rome, at the age of about seventy years, A.D. 100.

Wonderen & Tekenen

Plaatsen

Bijbelverzen

Hand 25:13
13En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.
Hand 25:22-26
22En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen. 23Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht. 24En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven. 26Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.
Hand 26:1-2
1En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus: 2Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word;
Hand 26:7
7Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.
Hand 26:19
19Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;
Hand 26:27-28
27Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft. 28En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.
Hand 26:32
32En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen.