Jakobus
Een praktische brief over het levende geloof dat zich bewijst in werken: het verdragen van beproevingen, het beheersen van de tong, de gevaren van rijkdom en het gebed des geloofs.
Onderwerpen
1. Beproevingen, wijsheid en de bedrieglijkheid van de mens
Acht het een grote vreugde als u in allerlei verzoekingen valt; vraag om wijsheid; wees een dader van het Woord.
Jak 1:1
1Jakobus, een dienstknecht van God en van den Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.
Jak 1:27
27De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld.
2. Geen aanzien des persoons; geloof en werken
Geen aanzien des persoons; het geloof zonder werken is dood — Abraham en Rachab als voorbeelden.
Jak 2:1
1Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.
Jak 2:26
26Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.
3. De tong: klein lid met grote macht
Niet velen van u moeten leraren worden; de tong is een ontembaar kwaad; bronnen geven geen zoet en bitter water.
Jak 3:1
1Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.
Jak 3:18
18En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken.
4. Wereldgelijkvormigheid en hoogmoed
Vanwaar komen oorlogen? Uit uw begeerten; vriendschap met de wereld is vijandschap met God; verneder u voor de Heere.
Jak 4:1
1Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren?
Jak 4:17
17Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.
5. Waarschuwing aan de rijken en het gebed des geloofs
Weent en huilt, gij rijken; wees geduldig als de landman; het gelovige gebed zal de zieke gezond maken.
Jak 5:1
1Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen.
Jak 5:20
20Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken.