1 Samuël 3
En de jongeling diende den HEERE voor het aangezicht van ; en het woord des HEEREN was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht.
En het geschiedde te dien dage, als op zijn plaats nederlag (en zijn ogen begonnen donker te worden, dat hij niet zien kon),
En zich ook nedergelegd had, eer de lampe Gods uitgedaan werd, in den tempel des HEEREN, waar de ark Gods was,
Dat de HEERE riep; en hij zeide: Zie, hier ben ik.
En hij liep tot en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Doch hij zeide: Ik heb niet geroepen, keer weder, leg u neder. En hij ging heen en legde zich neder.
Toen riep de HEERE wederom; en stond op; en ging tot , en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Hij dan zeide: Ik heb u niet geroepen, mijn zoon; keer weder, leg u neder.
Doch kende de HEERE nog niet; en het woord des HEEREN was aan hem nog niet geopenbaard.
Toen riep de HEERE wederom, ten derde maal; en hij stond op, en ging tot , en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Toen verstond , dat de HEERE den jongeling riep.
Daarom zeide tot : Ga heen, leg u neder, en het zal geschieden, zo Hij u roept, zo zult gij zeggen: Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort. Toen ging heen en legde zich aan zijn plaats.
Toen kwam de HEERE, en stelde Zich daar, en riep gelijk de andere malen: , ! En zeide: Spreek, want Uw knecht hoort.
En de HEERE zeide tot : Zie, Ik doe een ding in Israel, dat al wie het horen zal, dien zullen zijn beide oren klinken.
Te dienzelven dage zal Ik verwekken over alles, wat Ik tegen zijn huis gesproken heb; Ik zal het beginnen en voleinden.
Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, om der ongerechtigheids wil, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien.
Daarom dan heb Ik het huis van gezworen: Zo de ongerechtigheid van het huis van tot in eeuwigheid zal verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer!
nu lag tot aan den morgen; toen deed hij de deuren van het huis des HEEREN open; doch vreesde dit gezicht aan te kennen te geven.
Toen riep , en zeide: Mijn zoon ! Hij dan zeide: Zie, hier ben ik.
En hij zeide: Wat is het woord, dat Hij tot u gesproken heeft? Verberg het toch niet voor mij; God doe u zo, en zo doe Hij daartoe, indien gij een woord voor mij verbergt van al de woorden, die Hij tot u gesproken heeft!
Toen gaf hem te kennen al die woorden, en verborg ze voor hem niet. En hij zeide: Hij is de HEERE; Hij doe, wat goed is in Zijn ogen!
nu werd groot; en de HEERE was met hem, en liet niet een van al Zijn woorden op de aarde vallen.
En gans Israel, van tot Ber-seba toe, bekende, dat