1 Samuël 19

Derhalve sprak tot zijn zoon en tot al zijn knechten, om David te doden. Doch , Sauls zoon, had groot welgevallen aan David.

En verkondigde het David, zeggende: Mijn vader zoekt u te doden; nu dan, wacht u toch des morgens, en blijf in het verborgene, en versteek u.

Doch ik zal uitgaan, en aan de hand mijns vaders staan op het veld, waar gij zult zijn; en ik zal van u tot mijn vader spreken, en zal zien wat het zij; dat zal ik u verkondigen.

Zo sprak dan goed van David tot zijn vader ; en hij zeide tot hem: De koning zondige niet tegen zijn knecht David, omdat hij tegen u niet gezondigd heeft, en omdat zijn daden voor u zeer goed zijn.

Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft den Filistijn geslagen, en de HEERE heeft een groot heil aan het ganse Israel gedaan; gij hebt het gezien, en gij zijt verblijd geweest; waarom zoudt gij dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende?

nu hoorde naar de stem van ; en zwoer: zo waarachtig als de HEERE leeft, hij zal niet gedood worden!

En riep David, en gaf hem al deze woorden te kennen; en bracht David tot , en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren.

En er werd wederom krijg; en David toog uit, en streed tegen de Filistijnen, en hij sloeg hen met een groten slag, en zij vloden voor zijn aangezicht.

Doch de boze geest des HEEREN was over , en hij zat in zijn huis, en zijn spies was in zijn hand; en David speelde op snarenspel met de hand;

nu zocht met de spies David aan den wand te spitten, doch hij ontweek van het aangezicht van , die met de spies in den wand sloeg. Toen vlood David, en ontkwam in dienzelfden nacht.

Maar zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem des morgens doodden. Dit gaf , zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Indien gij uw ziel dezen nacht niet behoedt, zo zult gij morgen gedood worden.

En liet David door een venster neder, en hij ging heen, en vluchtte, en ontkwam.

En nam een beeld, en zij legde het in het bed, en zij legde een geitenvel aan zijn hoofdpeluw, en dekte het met een kleed toe.

nu zond boden, om David te halen. Zij dan zeide: Hij is ziek.

Toen zond boden, om David te bezien, zeggende: Breng hem op het bed tot mij op, dat men hem dode.

Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdpeluw.

Toen zeide tot : Waarom hebt gij mij alzo bedrogen en hebt mijn vijand laten gaan, dat hij ontkomen is? nu zeide tot : Hij zeide tot mij: Laat mij gaan, waarom zou ik u doden?

Alzo vluchtte David en ontkwam, en hij kwam tot te Rama, en hij gaf hem te kennen al wat hem gedaan had; en hij en gingen heen, en zij bleven te .

En men boodschapte , zeggende: Zie, David is te , bij Rama.

Toen zond boden heen, om David te halen; die zagen een vergadering van profeten, profeterende, en , staande, over hen gesteld; en de Geest Gods was over Sauls boden, en die profeteerden ook.

Toen men het boodschapte, zo zond hij andere boden, en die profeteerden ook; toen voer voort en zond de derde boden, en die profeteerden ook.

Daarna ging hij ook zelf naar Rama, en hij kwam tot den groten waterput, die te was, en hij vraagde en zeide: Waar is , en David? Toen werd hem gezegd: Zie, zij zijn te bij Rama.

Toen ging hij derwaarts naar bij Rama; en dezelfde Geest Gods was ook op hem, en hij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij te in Rama kwam.

En hij toog zelf ook zijn klederen uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van ; en hij viel bloot neder dienzelfden gansen dag, en den gansen nacht. Daarom zegt men: Is ook onder de profeten?