1 Samuël 18

Het geschiedde nu, als hij geeindigd had tot te spreken, dat de ziel van verbonden werd aan de ziel van David; en beminde hem als zijn ziel.

En nam hem te dien dage, en liet hem niet werderkeren tot zijns vaders huis.

nu en David maakten een verbond, dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.

En deed zijn mantel af, dien hij aan had, en gaf hem aan David, ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe, en tot zijn boog toe, en tot zijn gordel toe.

En David toog uit, overal, waar hem zond; hij gedroeg zich voorzichtiglijk, en zette hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de ogen des gansen volks, en ook in de ogen der knechten van .

Het geschiedde nu, toen zij kwamen, en David wederkeerde van het slaan der Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israel, met gezang en reien, den tegemoet, met trommelen, met vreugde en met muziekinstrumenten.

En de vrouwen, spelende, antwoordden elkander en zeiden: heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!

Toen ontstak zeer, en dat woord was kwaad in zijn ogen, en hij zeide: Zij hebben David tien duizend gegeven, doch mij hebben zij maar duizend gegeven; en voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijn.

En had het oog op David, van dien dag af en voortaan.

En het geschiedde des anderen daags, dat de boze geest Gods over vaardig werd, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; nu had een spies in zijn hand.

En schoot de spies, en zeide: Ik zal David aan den wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af.

En vreesde voor David, want de HEERE was met hem, en Hij was van geweken.

Daarom deed hem van zich weg, en hij zette hem zich tot een overste van duizend; en hij ging uit en hij ging in voor het aangezicht des volks.

En David gedroeg zich voorzichtiglijk op al zijn wegen; en de HEERE was met hem.

Toen nu zag, dat hij zich zeer voorzichtiglijk gedroeg, vreesde hij voor zijn aangezicht.

Doch gans Israel en had David lief; want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht.

Derhalve zeide tot David: Zie, mijn grootste dochter zal ik u tot een vrouw geven; alleenlijk, wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des HEEREN. Want zeide: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.

Doch David zeide tot : Wie ben ik, en wat is mijn leven, en mijns vaders huisgezin in Israel, dat ik des konings schoonzoon zou worden?

Het geschiedde nu ten tijde als men , de dochter van , aan David geven zou, zo is zij aan , den Meholathiet, ter vrouw gegeven.

Doch , de dochter van , had David lief. Toen dat te kennen werd gegeven, zo was die zaak recht in zijn ogen.

En zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden.

En gebood zijn knechten: Spreekt met David in het heimelijke, zeggende: Zie, de koning heeft lust aan u, en al zijn knechten hebben u lief; word dan nu des konings schoonzoon.

En de knechten van spraken deze woorden voor de oren van David. Toen zeide David: Is dat licht in ulieder ogen, des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben?

En de knechten van boodschapten het hem, zeggende: Zulke woorden heeft David gesproken.

Toen zeide : Aldus zult gijlieden tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan des konings vijanden. Want dacht David te vellen door de hand der Filistijnen.

Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij des konings schoonzoon zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld.

Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze den koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon des konings worden zou. Toen gaf hem zijn dochter ter vrouw.

En zag en merkte, dat de HEERE met David was; en , de dochter van , had hem lief.

Toen vreesde zich nog meer voor David; en was David een vijand al zijn dagen.

Als de vorsten der Filistijnen uittogen, zo geschiedde het, als zij uittogen, dat David kloeker was, dan al de knechten van ; zodat zijn naam zeer geacht was.