1 Samuël 15

Toen zeide tot : de HEERE heeft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde over Zijn volk, over Israel; hoor dan nu de stem van de woorden des HEEREN.

Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb bezocht, hetgeen aan Israel gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg, toen hij uit opkwam.

Ga nu heen, en sla , en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezelen toe.

Dit verkondigde het volk, en hij telde hen te Telaim, tweehonderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van .

Als tot aan de stad kwam, zo legde hij een achterlage in het dal.

En liet den Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden der Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want gij hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen Israels, toen zij uit opkwamen. Alzo weken de Kenieten uit het midden der Amalekieten.

Toen sloeg de Amalekieten van af, tot daar gij komt te , dat voor aan is.

En hij ving , den koning der Amalekieten, levend; maar al het volk verbande hij door de scherpte des zwaards.

Doch en het ganse volk verschoonde , en de beste schapen, en runderen, en de naast beste, en de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar alle ding, dat verachtzaam, en dat verdwijnende was, verbanden zij.

Toen geschiedde het woord des HEEREN tot , zeggende:

Het berouwt Mij, dat Ik tot koning gemaakt heb, dewijl hij zich van achter Mij afgekeerd heeft, en Mijn woorden niet bevestigd heeft. Toen ontstak , en hij riep tot den HEERE den gansen nacht.

Daarna maakte zich des morgens vroeg op, tegemoet; en het werd geboodschapt, zeggende: is te Karmel gekomen, en zie, hij heeft zich een pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen, en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen.

nu kwam tot , en zeide tot hem: Gezegend zijt gij den HEERE! Ik heb des HEEREN woord bevestigd.

Toen zeide : Wat is dan dit voor een stem der schapen in mijn oren, en een stem der runderen, die ik hoor?

nu zeide: Zij hebben ze van de Amalekieten gebracht, want het volk heeft de beste schapen en runderen verschoond, om den HEERE, uw God, te offeren; maar het overige hebben wij verbannen.

Toen zeide tot : Houd op, zo zal ik u te kennen geven, wat de HEERE van nacht tot mij gesproken heeft. Hij dan zeide tot hem: Spreek.

En zeide: Is het niet alzo, toen gij klein waart in uw ogen, dat gij het hoofd der stammen van Israel geworden zijt, en dat u de HEERE tot koning over Israel gezalfd heeft?

En de HEERE heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij dezelve te niet doet.

Waarom toch hebt gij naar de stem des HEEREN niet gehoord, maar zijt tot den roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN?

Toen zeide tot : Ik heb immers naar de stem des HEEREN gehoord, en heb gewandeld op den weg, op denwelken mij de HEERE gezonden heeft; en ik heb , den koning der Amalekieten, mede gebracht, maar de Amalekieten heb ik verbannen.

Het volk nu heeft genomen van den roof, schapen en runderen, het voornaamste van het verbannene, om den HEERE, uw God, op te offeren te Gilgal.

Doch zeide: Heeft de HEERE lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des HEEREN? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen.

Want wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.

Toen zeide tot : Ik heb gezondigd, omdat ik des HEEREN bevel en uw woorden overtreden heb; want ik heb het volk gevreesd en naar hun stem gehoord.

Nu dan, vergeef mij toch mijn zonde, en keer met mij wederom, dat ik den HEERE aanbidde.

Doch zeide tot : Ik zal met u niet wederkeren; omdat gij het woord des HEEREN verworpen hebt, zo heeft u de HEERE verworpen, dat gij geen koning over Israel zult zijn.

Als zich omkeerde om weg te gaan, zo greep hij een slip van zijn mantel en zij scheurde.

Toen zeide tot hem: De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israel van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij.

En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israel is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.

Hij dan zeide: Ik heb gezondigd; eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israel; en keer wederom met mij, dat ik den HEERE, uw God, aanbidde.

Toen keerde wederom na; en aanbad den HEERE.

Toen zeide : Breng , den koning der Amalekieten, hier tot mij; nu ging tot hem weeldelijk; en zeide: Voorwaar, de bitterheid des doods is geweken!

Maar zeide: Gelijk als uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, alzo zal uw moeder van haar kinderen beroofd worden onder de vrouwen. Toen hieuw in stukken, voor het aangezicht des HEEREN te Gilgal.

Daarna ging naar Rama; en ging op naar zijn huis te Gibea-Sauls.

En zag niet meer tot den dag zijns doods toe; evenwel droeg leed om ; en het berouwde den HEERE, dat Hij tot koning over Israel gemaakt had.