Richteren 8

Toen zeiden de mannen van tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.

Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?

God heeft de vorsten der Midianieten, en , in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.

Als nu gekomen was aan de , ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.

En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag en , de koningen der Midianieten, achterna.

Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?

Toen zeide : Daarom, als de HEERE en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.

En hij toog van daar op naar , en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.

Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.

nu en Tsalmuna waren te , en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van ; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.

En toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en ; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.

En en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger.

Toen nu , de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon,

Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen.

Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar en Tsalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moede zijn, brood zouden geven?

En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan.

En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad.

Daarna zeide hij tot en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.

Toen zeide hij: Het waren mijn broeders, zonen mijner moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen hadt laten leven, ik zou ulieden niet doden!

En hij zeide tot , zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was.

Toen zeiden en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond op, en doodde en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren.

Toen zeiden de mannen van Israel tot : Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.

Maar zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.

Voorts zeide tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren.

En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof.

En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren.

En maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te ; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd en zijn huis tot een valstrik.

Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van .

En , de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.

nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen.

En zijn bijwijf, hetwelk te was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam .

En , de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te , des .

En het geschiedde, als gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God.

En de kinderen Israels dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom.

En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is , naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had.