Richteren 1
En het geschiedde na den dood van , dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen?
En de HEERE zeide: zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.
Toen zeide tot zijn broeder : Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog op met hem.
En toog op, en de HEERE gaf de Kanaanieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man.
En zij vonden te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaanieten en de Ferezieten.
Doch vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af.
Toen zeide : Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te , en hij stierf aldaar.
Want de kinderen van hadden tegen gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.
En daarna waren de kinderen van afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte.
En was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-), en zij sloegen , en , en Thalmai.
En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-.
En zeide: Wie zal slaan, en haar innemen, dien zal ik ook mijn dochter tot een vrouw geven.
Toen nam Othniel haar in, de zoon van , broeder van , die jonger was dan hij; en gaf hem , zijn dochter, tot een vrouw.
En het geschiedde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen zeide tot haar: Wat is u?
En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf haar hoge wellingen en lage wellingen.
De kinderen van den Keniet, den schoonvader van , togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van , naar de woestijn van , die tegen het zuiden van is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
dan toog met zijn broeder , en zij sloegen de Kanaanieten, wonende te , en zij verbanden hen; en men noemde den naam dezer stad .
Daartoe nam in, met haar landpale, en met haar landpale, en met haar landpale.
En de HEERE was met , dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden.
En zij gaven Hebron aan , gelijk als gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van .
Doch de kinderen van hebben de Jebusieten, te wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van te , tot op dezen dag.
En het huis van toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.
En het huis van bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz.
En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.
En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan.
Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag.
En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaanach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land.
En het geschiedde, als Israel sterk werd, dat hij de Kanaanieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk.
Ook verdreef de Kanaanieten niet, die te woonden; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem te .
verdreef de inwoners van niet, noch de inwoners van