Jozua 22
Toen riep de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse,
En hij zeide tot hen: Gijlieden hebt onderhouden alles, wat u , de knecht des HEEREN, geboden heeft; en gij zijt mijner stem gehoorzaam geweest in alles, wat ik u geboden heb.
Gij hebt uw broederen niet verlaten nu langen tijd, tot op dezen dag toe; maar gij hebt waargenomen de onderhouding der geboden van den HEERE, uw God.
En nu, de HEERE, uw God, heeft uw broederen rust gegeven, gelijk Hij hun toegezegd had; keert dan nu wederom, en gaat gij naar uw tenten, naar het land uwer bezitting, hetwelk u , de knecht des HEEREN, gegeven heeft op gene zijde van de .
Alleenlijk neemt naarstiglijk waar te doen het gebod en de wet, die u , de knecht des HEEREN, geboden heeft, dat gij den HEERE, uw God, liefhebt, en dat gij wandelt in al Zijn wegen, en Zijn geboden houdt, en Hem aanhangt, en dat gij Hem dient met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
Alzo zegende hen , en hij liet hen gaan; en zij gingen naar hun tenten.
Want aan de helft van den stam van Manasse had een erfdeel gegeven in Bazan; maar aan de andere helft van denzelven gaf een erfdeel bij hun broederen, aan deze zijde van de westwaarts. Verder ook als hen liet trekken naar hun tenten, zo zegende hij hen.
En hij sprak tot hen, zeggende: Keert weder tot uw tenten met veel rijkdom, en met zeer veel vee, met zilver, en met goud, en met koper, en met ijzer, en met zeer veel klederen; deelt den roof uwer vijanden met uw broederen.
Alzo keerden de kinderen van , en de kinderen van , en de halve stam van Manasse wederom, en togen van de kinderen Israels, van , dat in het land is, om te gaan naar het land van Gilead, naar het land hunner bezitting, in hetwelk zij bezitters gemaakt waren, naar den mond des HEEREN, door den dienst van .
Toen zij kwamen aan de grenzen van de , die in het land zijn, zo bouwden de kinderen van , en de kinderen van , en de halve stam van Manasse aldaar een altaar aan de , een altaar groot in het aanzien.
En de kinderen Israels hoorden zeggen: Ziet, de kinderen van , en de kinderen van , en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd, tegenover het land , aan de grenzen van de , aan de zijde der kinderen Israels.
Als de kinderen Israels dit hoorden, zo verzamelde de ganse vergadering der kinderen Israels te , dat zij tegen hen optogen met een heir.
En de kinderen Israels zonden aan de kinderen van , en aan de kinderen van , en aan den halven stam van Manasse, in het land Gilead, , den zoon van , den priester;
En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis een vorst, uit al de stammen van Israel; en zij waren een ieder een hoofd van het huis hunner vaderen over de duizenden van Israel.
Toen zij tot de kinderen van , en tot de kinderen van , en tot den halven stam van Manasse kwamen, in het land Gilead, zo spraken zij met hen, zeggende:
Alzo spreekt de ganse gemeente des HEEREN: Wat overtreding is dit, waarmede gijlieden overtreden hebt tegen den God van Israel, heden afkerende van achter den HEERE, mits dat gij een altaar voor u gebouwd hebt, om heden tegen den HEERE wederspannig te zijn?
Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, van dewelke wij niet gereinigd zijn tot op dezen dag, hoewel de plaag in de vergadering des HEEREN geweest is?
Dewijl gij u heden van achter den HEERE afkeert, het zal dan geschieden, als gij heden wederspannig zijt tegen den HEERE, zo zal Hij Zich morgen grotelijks vertoornen tegen de ganse gemeente van Israel.
Maar toch, indien het land uwer bezitting onrein is, komt over in het land van de bezitting des HEEREN, waar de tabernakel des HEEREN woont, en neemt bezitting in het midden van ons; maar zijt niet wederspannig tegen den HEERE, en zijt ook niet wederspannig tegen ons, een altaar voor u bouwende, behalve het altaar van den HEERE, onzen God.
Heeft niet , de zoon van , overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een verbolgenheid over de ganse vergadering van Israel? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid.
Toen antwoordden de kinderen van , en de kinderen van , en de halve stam van Manasse, en zij spraken met de hoofden der duizenden van Israel:
De God der goden, de HEERE, de God der goden, de HEERE, Die weet het; Israel zelf zal het ook weten! Is het door wederspannigheid, of is het door overtreding tegen den HEERE, zo behoudt ons heden niet;
Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben, om ons van achter den HEERE af te keren, of om brandoffer en spijsoffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen, zo eise het de HEERE.
En zo wij dit niet uit zorg vanwege deze zaak gedaan hebben, zeggende: Morgen mochten uw kinderen tot onze kinderen spreken, zeggende: Wat hebt gij met den HEERE, den God van Israel, te doen?
De HEERE heeft immers de tot landpale gezet tussen ulieden, gij, kinderen van , en gij, kinderen van ! gij hebt geen deel aan den HEERE. Zo mochten uw kinderen onze kinderen doen ophouden, dat zij den HEERE niet vreesden.
Daarom zeiden wij: Laat ons toch voor ons maken, bouwende een altaar, niet ten brandoffer, noch ten offer.
Maar dat het een getuige zij tussen ons en tussen ulieden, en tussen onze geslachten na ons, opdat wij den dienst des HEEREN voor Zijn aangezicht dienen mochten met onze brandofferen, en met onze slachtofferen, en met onze dankofferen; en dat uw kinderen tot onze kinderen morgen niet zeggen: Gijlieden hebt geen deel aan den HEERE.
Daarom zeiden wij: Wanneer het geschiedt, dat zij morgen alzo tot ons en tot onze geslachten zeggen zullen; zo zullen wij zeggen: Ziet de gedaante van het altaar des HEEREN, hetwelk onze vaderen gemaakt hebben, niet ten brandoffer, noch ten offer; maar het is een getuige tussen ons en tussen ulieden.
Het zij verre van ons, van ons dat wij zouden wederspannig zijn tegen den HEERE, of dat wij te dezen dage ons van achter den HEERE afkeren zouden, bouwende een altaar ten brandoffer, ten spijsoffer, of ten slachtoffer, behalve het altaar van den HEERE, onzen God, dat voor Zijn tabernakel is.
Toen de priester , en de oversten der vergadering, en de hoofden der duizenden van Israel, die bij hem waren, de woorden hoorden, die de kinderen van , en de kinderen van , en de kinderen van Manasse gesproken hadden, zo was het goed in hun ogen.
En , de zoon van den priester , zeide tot de kinderen van , en tot de kinderen van , en tot de kinderen van Manasse: Heden weten wij, dat de HEERE in het midden van ons is, dewijl gij deze overtreding tegen den HEERE niet begaan hebt; toen hebt gijlieden de kinderen verlost uit de hand des HEEREN.
En , de zoon van den priester , keerde wederom met de oversten van de kinderen van , en van de kinderen van , uit het land Gilead, naar het land , tot de kinderen ; en zij brachten hun antwoord weder;
Het antwoord nu was goed in de ogen van de kinderen Israels, en de kinderen Israels loofden God, en zeiden niet meer van tegen hen op te trekken met een heir, om het land te verderven, waarin de kinderen van en de kinderen van woonden.
En de kinderen van en de kinderen van noemden dat altaar: Dat het een getuige zij tussen ons, dat de HEERE God is.