Jozua 16
Daarna kwam het lot der kinderen van uit: van de bij , aan het water van , oostwaarts, de woestijn opgaande van , door het gebergte Beth-El;
En het komt van Beth-El uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale des Archiets, tot Ataroth toe;
En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste , en tot ; en haar uitgangen zijn aan de zee.
Alzo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen van , Manasse en .
De landpale nu der kinderen van , naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts tot aan het bovenste Beth-Horon.
En deze landpale gaat uit tegen het westen bij , van het noorden, en deze landpale keert zich om tegen het oosten naar Thaanath-Silo, en gaat door dezelve van het oosten naar Janoah;
En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan , en gaat uit aan de .
Van Tappuah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van , naar hun huisgezinnen.
En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van , waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen.
En zij verdreven de Kanaanieten niet, die te woonden; alzo woonden die Kanaanieten in het midden der Efraimieten tot op dezen dag; maar zij waren onder schatting dienende.