Jozua 14

Dit is nu hetgeen de kinderen Israels geerfd hebben in het land ; hetwelk de priester , en , de zoon van , en de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels, hun hebben doen erven;

Door het lot hunner erfenis, gelijk als de HEERE door den dienst van geboden had, aangaande de negen stammen en den halven stam.

Want aan de twee stammen en den halven stam had een erfdeel gegeven op gene zijde van de ; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel onder hen gegeven.

Want de kinderen van waren twee stammen, Manasse en ; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting.

Gelijk als de HEERE geboden had, alzo deden de kinderen Israels, en zij deelden het land.

Toen naderden de kinderen van tot , te Gilgal, en , de zoon van , de Keneziet, zeide tot hem: Gij weet het woord, dat de HEERE tot , den man Gods, gesproken heeft te , ter oorzake van mij, en ter oorzake van u.

Ik was veertig jaren oud, toen , de knecht des HEEREN, mij uitgezonden heeft van , om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht, gelijk als het in mijn hart was.

Maar mijn broeders, die met mij opgegaan waren, deden het hart des volks smelten; doch ik volhardde den HEERE, mijn God, na te volgen.

Toen zwoer te dien zelven dage, zeggende: Indien niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, dewijl gij volhard hebt den HEERE, mijn God, na te volgen.

En nu, zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat de HEERE dit woord tot gesproken heeft, toen Israel in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud.

Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen mij uitzond; gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht, tot den oorlog, en om uit te gaan, en om in te gaan.

En nu, geef mij dit gebergte, waarvan de HEERE te dien dage gesproken heeft; want gij hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten aldaar waren, en dat er grote vaste steden waren; of de HEERE met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als de HEERE gesproken heeft.

Toen zegende hem , en hij gaf , den zoon van , ten erfdeel.

Daarom werd aan , den zoon van , den Keneziet, ten erfdeel tot op dezen dag; omdat hij volhard had den HEERE, den God Israels, na te volgen.

De naam nu van was eertijds , die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van den krijg.