Deuteronomium 34

Toen ging op, uit de vlakke velden van , naar den , op de hoogten van , welke recht tegenover Jericho is; en de HEERE wees hem dat ganse land, Gilead tot toe;

En het ganse , en het land van en Manasse, en het ganse land van , tot aan de achterste zee;

En het Zuiden, en het effen veld der , de palmstad, tot toe.

En de HEERE zeide tot hem: Dit is het land, dat Ik , en gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar gij zult daarheen niet overgaan.

Alzo stierf , de knecht des HEEREN, aldaar in het land van , naar des HEEREN mond.

En Hij begroef hem in een dal, in het land van , tegenover ; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op dezen dag.

nu was honderd en twintig jaren oud, als hij stierf; zijn oog was niet donker geworden, en zijn kracht was niet vergaan.

En de kinderen Israels beweenden , in de vlakke velden van , dertig dagen; en de dagen des wenens, van den rouw over , werden voleindigd.

nu, de zoon van , was vol van den Geest der wijsheid; want had zijn handen op hem gelegd; zo hoorden de kinderen Israels naar hem, en deden gelijk als de HEERE geboden had.

En er stond geen profeet meer op in Israel, gelijk , dien de HEERE gekend had, van aangezicht tot aangezicht,

In al de tekenen en de wonderen, waartoe hem de HEERE gezonden heeft, om die in Egypteland te doen aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al zijn land;

En in al die sterke hand, en in al die grote verschrikking, die gedaan heeft voor de ogen van gans Israel.