Numeri 7

En het geschiedde ten dage, als geeindigd had den tabernakel op te richten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelve geheiligd had;

Dat de oversten van Israel, de hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de getelden stonden.

En zij brachten hun offerande voor het aangezicht des HEEREN, zes overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een os voor elk een; en brachten ze voor den tabernakel.

En de HEERE sprak tot , zeggende:

Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst; en gij zult dezelve den Levieten geven, een ieder naar zijn dienst.

Alzo nam die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten.

Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van , naar hun dienst;

En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van , naar hun dienst; onder de hand van , den zoon van , den priester.

Maar de zonen van gaf hij niet; want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen.

En de oversten offerden ter inwijding des altaars, op den dag als hetzelve gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar.

En de HEERE zeide tot : Elke overste zal, een iegelijk op zijn dag, zijn offerande offeren, ter inwijding des altaars.

Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was , de zoon van , voor den stam van .

En zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Op den tweeden dag offerde , de zoon van , de overste van .

Hij offerde zijn offerande: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

En een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Op den derden dag offerde de overste der zonen van , , de zoon van .

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Op den vierden dag offerde de overste der kinderen van , , de zoon van .

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Op den vijfden dag offerde den overste der kinderen van , , de zoon van .

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Op den zesden dag offerde de overste der kinderen van , , den zoon van Dehuel.

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van Dehuel.

Op den zevenden dag offerde de overste der kinderen van , , den zoon van .

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Op den achtsten dag offerde de overste der kinderen van Manasse, , de zoon van .

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Op den negenden dag offerde de overste der kinderen van , , de zoon van .

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Op den tienden dag offerde de overste der kinderen van , , de zoon van .

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Op den elfden dag offerde de overste der kinderen van , , de zoon van Ochran.

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van Ochran.

Op den twaalfden dag offerde de overste der kinderen van , , de zoon van .

Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

Een geitenbok, ten zondoffer;

En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van , den zoon van .

Dit was de inwijding des altaars van de oversten van Israel, op den dag als hetzelve gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen.

Een zilveren schotel was van honderd dertig sikkelen, en een sprengbekken van zeventig; al het zilver van de vaten was twee duizend en vierhonderd sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.

Twaalf gouden reukschalen van reukwerks; elke reukschaal was van tien sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; al het goud der reukschalen was honderd en twintig sikkelen.

Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten zondoffer.

En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was.

En als in de tent der samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, hetwelk is op de ark der getuigenis, van tussen de twee cherubim. Alzo sprak Hij tot hem.