Numeri 32
De kinderen van nu hadden veel vee, en de kinderen van hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaezer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee.
Zo kwamen de kinderen van en de kinderen van , en spraken tot , en tot , den priester, en tot de oversten der vergadering, zeggende:
Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en , en , en Schebam, en Nebo, en ;
Dit land, hetwelk de HEERE voor het aangezicht der vergadering van Israel geslagen heeft, is een land voor vee; en uw knechten hebben vee.
Voorts zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; en doe ons niet trekken over de .
Maar zeide tot de kinderen van en tot de kinderen van : Zullen uw broeders ten strijde gaan, en zult gijlieden hier blijven?
Waarom toch zult gij het hart der kinderen Israels breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat de HEERE hun gegeven heeft?
Zo deden uw vaders, als ik hen van zond, om dit land te bezien.
Als zij opgekomen waren tot aan het , en dit land bezagen, zo braken zij het hart der kinderen Israels, dat zij niet gingen naar het land, dat de HEERE hun gegeven had.
Toen ontstak de toorn des HEEREN te dien dage, en Hij zwoer, zeggende:
Indien deze mannen, die uit opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik , en gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen;
Behalve , de zoon van , den Keniziet, en , de zoon van ; want zij hebben volhard den HEERE na te volgen.
Alzo ontstak des HEEREN toorn tegen Israel, en Hij deed hen omzwerven in de woestijn, veertig jaren, totdat verteerd was het ganse geslacht, hetwelk gedaan had, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.
En ziet, gijlieden zijt opgestaan in stede van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, om de hittigheid van des HEEREN toorn tegen Israel te vermeerderen.
Wanneer gij van achter Hem u zult afkeren, zo zal Hij wijders voortvaren het te laten in de woestijn; en gij zult al dit volk verderven.
Toen traden zij toe tot hem, en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen.
Maar wij zelven zullen ons toerusten, haastende voor het aangezicht der kinderen Israels, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de vaste steden, vanwege de inwoners des lands.
Wij zullen niet wederkeren tot onze huizen, totdat zich de kinderen Israels tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben, een ieder van zijn erfenis.
Want wij zullen met hen niet erven aan gene zijde van de , en verder heen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van de , tegen den opgang.
Toen zeide tot hen: Indien gij deze zaak doen zult, indien gij u voor het aangezicht des HEEREN zult toerusten ten strijde,
En een ieder van u, die toegerust is, over de zal trekken voor het aangezicht des HEEREN, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben.
En het land voor het aangezicht des HEEREN ten ondergebracht zij; zo zult gij daarna wederkeren, en onschuldig zijn voor den HEERE en voor Israel, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht des HEEREN.
Indien gij daarentegen alzo niet zult doen, ziet, zo hebt gij tegen den HEERE gezondigd; doch gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal!
Bouwt uw steden voor uw kinderen, en kooien voor uw schapen; en doet, wat uit uw mond uitgegaan is.
Toen spraken de kinderen van en de kinderen van tot , zeggende: Uw knechten zullen doen, gelijk als mijn heer gebiedt.
Onze kinderen, onze vrouwen, onze have en al onze beesten zullen aldaar zijn in de steden van Gilead;
Maar uw knechten zullen overtrekken, al wie ten heire toegerust is, voor het aangezicht des HEEREN tot den strijd, gelijk als mijn heer gesproken heeft.
Toen gebood , hunnenthalve, den priester , en , den zoon van , en den hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels;
En zeide tot hen: Indien de kinderen van , en de kinderen van , met ulieden over de zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht des HEEREN, als het land voor uw aangezicht zal ten ondergebracht zijn; zo zult gij hun het land Gilead ter bezitting geven.
Maar indien zij niet toegerust met u zullen overtrekken, zo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van ulieden in het land .
En de kinderen van en de kinderen van antwoordden, zeggende: Wat de HEERE tot uw knechten gesproken heeft, zullen wij alzo doen.
Wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht des HEEREN naar het land ; en de bezitting onzer erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van de .
Alzo gaf hunlieden, den kinderen van , en de kinderen van , en den halven stam van Manasse, den zoon van , het koninkrijk van , koning der Amorieten, en het koninkrijk van , koning van Bazan; het land met de steden van hetzelve in de landpalen, de steden des lands rondom.
En de kinderen van bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroer,
En Atroth-Sofan, en Jaezer, en ,
En Beth-Nimra, en , vaste steden en schaapskooien.
En de kinderen van bouwden Hezbon, en , en Kirjathaim,
En Nebo, en Baal-Meon, veranderd zijnde van naam, en ; en zij noemden de namen der steden, die zij bouwden, met andere namen.
En de kinderen van , den zoon van Manasse, gingen naar Gilead, en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten, die daarin waren, uit de bezitting.
Zo gaf Gilead aan , den zoon van Manasse; en hij woonde daarin.
nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Havvoth-.
En ging heen, en nam in, met haar onderhorige plaatsen, en noemde ze naar zijn naam.