Numeri 23

Toen zeide tot : Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen.

nu deed, gelijk als gesproken had; en en offerden een var en een ram, op elk altaar.

Toen zeide tot : Blijf staan bij uw brandoffer, en ik zal heengaan; misschien zal de HEERE mij tegemoet komen; en hetgeen Hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij op de hoogte.

Als God ontmoet was, zo zeide hij tot Hem: Zeven altaren heb ik toegericht, en heb een var en een ram op elk altaar geofferd.

Toen legde de HEERE het woord in den mond van , en zeide: Keer weder tot , en spreek aldus.

Als hij nu tot hem wederkeerde, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten der Moabieten.

Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Uit Syrie heeft mij , de koning der Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen , zeggende: Kom, vervloek mij , en kom, scheld !

Wat zal ik vloeken, dien God niet vloekt; en wat zal ik schelden, waar de HEERE niet scheldt?

Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden.

Wie zal het stof van tellen, en het getal, ja, het vierde deel van ? Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!

Toen zeide tot : Wat hebt gij mij gedaan? Ik heb u genomen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt hen doorgaans gezegend!

Hij nu antwoordde en zeide: Zal ik dat niet waarnemen te spreken, wat de HEERE in mijn mond gelegd heeft?

Toen zeide tot hem: Kom toch met mij aan een andere plaats, van waar gij hem zult zien; gij zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet ganselijk zien; en vervloek hem mij van daar!

Alzo nam hij hem mede tot het veld , op de hoogte van ; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde een var en een ram op elk altaar.

Toen zeide hij tot : Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal Hem aldaar ontmoeten.

Als de HEERE ontmoet was, zo legde Hij het woord in zijn mond, en Hij zeide: Keer weder tot , en spreek alzo.

Toen hij tot hem kwam, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, en de vorsten der Moabieten bij hem. nu zeide tot hem: Wat heeft de HEERE gesproken?

Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Sta op, , en hoor! Neig uw oren tot mij, gij, zoon van !

God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?

Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl Hij zegent, zo zal ik het niet keren.

Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in ; ook ziet Hij niet aan de boosheid in . De HEERE, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem.

God heeft hen uit uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.

Want er is geen toverij tegen noch waarzeggerij tegen . Te dezer tijd zal van gezegd worden, en van , wat God gewrocht heeft.

Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet neerleggen, totdat het den roof gegeten, en het bloed der verslagenen gedronken zal hebben!

Toen zeide tot : Gij zult het ganselijk noch vloeken, noch geenszins zegenen.

Doch antwoordde en zeide tot : Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: Al wat de HEERE spreken zal, dat zal ik doen?

Verder zeide tot : Kom toch, ik zal u aan een ander plaats medenemen; misschien zal het recht zijn in de ogen van dien God, dat gij het mij van daar vervloekt.

Toen nam mede tot de hoogte van Peor, die tegen de woestijn ziet.

En zeide tot : Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen.

nu deed, gelijk als gezegd had; en hij offerde een var en een ram op elk altaar.